missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be
Vasten 2013

Een vasten van verbondenheid

P. Herman Bastijns, M.Afr.
donderdag 14 februari 2013 door Webmaster

In dit jaar van het Geloof zou ik de vasten willen beleven als een tijd van grotere verbondenheid met Jezus. Want dat is toch de kern van het geloof.

(Texte français ici)


Wanneer wij klein waren verzochten onze ouders en onze catechisten ons om een vastenpunt te kiezen: een inspanning of een offer om te doen, zoals geen snoepjes eten, of minder eten. Later werd de nadruk van versterving naar broederlijk delen verplaatst. En ik geloof dat de overgang van de vasten van ontberen naar een vasten van delen een vooruitgang was.

Vandaag nog is mijn spontane reflex aan het begin van de vasten me af te vragen: Wat ga ik doen voor mijn vasten? Er zijn verschillende goede redenen om te vasten, maar de voornaamste is toch wel dat Jezus zelf heeft gevast in de woestijn gedurende veertig dagen.

Opmerkelijk is echter dat Jezus God niet is genaderd omdat hij vastte, maar dat hij vastte omdat hij zich zo dichtbij en verbonden voelde met zijn Vader. Na de openbaring van zijn doopsel (“Gij zijt mijn welbeminde zoon”) voelde hij de behoefte om enige tijd alleen te zijn en ontdaan van alles. De woestijn was voor hem niet een leegte maar de plaats van een ontmoeting, en zijn onthouding van voedsel de vrucht van een onuitsprekelijke verbondenheid en een grenzenloze geestelijke vreugde. Voor Jezus was ascese niet de oorzaak, maar de vrucht van zijn verbondenheid met God.

Dit inzicht zou ik willen uitdiepen door te kijken naar de heilige Paulus.
Wat men algemeen de “bekering” van Paulus op de weg van Damascus noemt, is eigenlijk geen bekering in de zin van een overgang van ongeloof naar geloof, of van een zondig leven naar een deugdzaam leven. Paulus was een vrome Jood en hij was, moreel en godsdienstig gesproken, onberispelijk. Voor zijn ontmoeting met de Verrezen Jezus was hij maar al te deugdzaam en zocht hij de rechtvaardiging door de werken van de Wet. De plotselinge en schokkende ontmoeting met de verrezen Heer doet Paulus overstappen van een God die hij wilde grijpen en bezitten, naar een God die hem heeft gegrepen. Het resultaat was een totale verandering van het hart van Paulus en van zijn visie op de wereld.

Op slag worden de inspanningen die hij had geleverd om trouw te zijn aan de wet, voortaan nutteloos. Ga 1,14 . De rechtvaardigheid die hij zo hartstochtelijk zocht, vindt hij nu in Christus en in Christus alleen. Paulus ontdekt dat hij slechts door en in Christus gerechtvaardigd kan worden. Want de Wet die hij scrupuleus probeerde te onderhouden is tegelijk heilig en verdoemd, en dat om drie redenen. Ten eerste verwekt ze in de mens een dodelijke schizofrenie: „Het goede dat ik wil doe ik niet, en het kwade dat ik niet wil doe ik Rm 7, 15-19 . Vervolgens draagt zij bij tot de breuk van de menselijke broederschap. Dat is vooral het geval wanneer de naleving van de Wet een gelegenheid van oordeel of veroordeling van de anderen wordt Rm ss . Tenslotte, door heel zijn vertrouwen te stellen in zijn eigen naleving, gaat men uiteindelijk geen God meer nodig hebben en gaat men zelfs God doden door te weigeren om in Jezus Christus „het eind van de Wet“ en de komst van het Koninkrijk van de genade en de Geest te erkennen.

Hieruit volgt een onteigening van zijn eigen werken en zelfs een onteigening van zijn eigen leven: „Leven, voor mij, is Christus " Fil 1, 21 . Paulus weet wat het betekent „op eigen werken te rekenen” en hij wantrouwt dit voortaan zodanig dat hij meer berust op zijn zwakheid dan op zijn kracht. En, verre van zijn persoonlijke armoede te beschouwen als een belemmering voor zijn taak, ziet hij ze als een belangrijke troef voor zijn apostolaat, teneinde, zo zegt hij tot zijn gelovigen, “dat uw vertrouwen niet weze gebaseerd op de wijsheid van mensen, maar op de macht van God.„ 2Kor 2,3-5 . “Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk. „ 1Ko 12, 10

Dat is allemaal zeer mooi, maar men kan niet verhinderen om zich de vraag te stellen: Mag men dan geen inspanning meer doen? Moet men zich laten gaan, tot in de onzedelijkheid toe ? De vraag is oud en nog altijd actueel.

Zij stelde reeds de heilige Augustinus tegenover Pelagius, die de nadruk op de genade zag als een bron van gevaarlijke ideeën voor de moraal: als men aan de mensen belooft dat zij zullen geheiligd worden door loutere genade, lopen zij dan niet het gevaar de vereiste inspanningen te verwaarlozen om de heiligheid te bereiken?

Later verweet de Contrareformatie aan Luther zijn leer van Sola Fides, alsof het geloof de werken uitsloot. In feite betoogde Luther dat de theologie zich juist had vergist op het moment dat zij was begonnen de Wet en het Evangelie (de eis van God en de gave van God) te verwarren door te verkondigen dat de mensen kunnen verdienen wat slechts de onvoorwaardelijke gave van God’s genade kan zijn.

Nog later leidde het Quietisme ertoe de menselijke inspanning te minachten en de “werken” te veroordelen. Bepaalde quietisten verdedigden de nutteloosheid van de versterving, die de zinnen eerder opwekt dan ze te kalmeren. Molinos beweerde zelfs, hetgeen beschuldigingen betreffende zijn gewoonten veroorzaakte, dat het nutteloos is om zich tegen de verleidingen te verzetten: wat maakt het uit dat het lagere en zinnelijke deel van de ziel bezoedeld is, terwijl het hogere deel God beschouwt en hem bemint met een zuivere liefde? Paulus had reeds deze verkeerde conclusie ontdekt wanneer hij aan de Romeinen vroeg: “Moet men dus in de zonde blijven opdat de genade zou overvloeien? Rm 6, 1 .

En nochtans is Paulus categorisch: „Ik beweer juist, dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden." Rm 3, 28

Zou de onteigening van de werken dan leiden tot moreel libertinisme of geestelijke ledigheid? Ver van daar. Paulus geeft een hele reeks immorele handelingen en onregelmatigheden aan: verafgoding, onzuiverheid, onrechtvaardigheid, twisten, slechtheid, zedeloosheid enz. Rm 1, 18-32 . Afwijkingen die trouwens eveneens door de joodse en stoïcijnse literatuur werden veroordeeld. Maar wat voor Paulus telt is niet wat men doet, maar de motivatie of het model volgens hetwelke men handelt. De Joden veroordeelden de onzedelijkheid als onverenigbaar met God, de stoïcijnen aanzagen ze als in strijd met de rede en als mensonwaardig.

Dat wat absoluut nieuw is bij Paulus, is dat hij deze zonden niet veroordeelt namens de Wet of om menselijke redenen, maar namens een persoon: Jezus van Nazareth, gekruisigd en verrezen. Het is de persoon van Christus die, in de Geest, het model is om ons menselijker te maken. Het gaat er niet om het natuurlijke en wereldlijke leven te verwerpen. Integendeel, het gaat erom het leven van Christus in alle sferen van het mensenleven te laten doordringen, want alle categorieën worden ingesloten in het feit dat wij in Christus begenadigd zijn. Voor Paulus is de grondslag van de nieuwe moraal een totale en onvoorwaardelijke gehechtheid aan Jezus Christus, en haar doel de heropleving van het menselijke door de realiteit van de verrijzenis.

Laten we dan terugkomen op onze aanvankelijke vraag: Wat doen tijdens de Vasten? Het antwoord is een andere vraag: Met wie, in wie, en voor wie alles doen wat wij doen? Het is een uitnodiging om de Vasten te beleven als een tijd van diepe gehechtheid aan Jezus, een vasten van verbondenheid. Een verbondenheid die ons tegelijkertijd vrij maakt. Paulus zegt: “Ik weet wat armoede is, ik weet wat overvloed is. Ik ben volledig ingewijd. Ik kan volop eten en ik kan honger lijden, ik ben vertrouwd met overvloed en met gebrek. Alles vermag ik in Hem die mij kracht geeft.” Fil 4, 12-13

Voor het gebed, ziehier enkele spontane uitroepen van Paulus, gegaard uit zijn apostolische brieven. Moge de Heilige Geest ze verklaren en bevruchten diep in ons hart.

- Ik streef er vurig naar de gemeenschap (met Christus) te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus. Fil 3, 12
- Ja, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Fil 3, 8
- Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Rm 8, 35
- Zolang wij leven, leven wij voor de Heer, en sterven wij, dan sterven wij voor de Heer. Rm 14, 8
- Bekleedt u met de Heer Jezus Christus Rm 13, 14
- Weest mijn navolgers, zoals ik het ben van Christus. 1 Ko 11, 1
- Alles is me geoorloofd, maar niet alles is goed voor mij. 1Ko 6, 12
- Als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal. 1 Ko 13,1
- Voor zover ik nu leef in het vlees, leef ik in het geloof in de Zoon van God die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij. Ga 2, 20
- Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk 2 Ko 12, 10
- Voor mij is leven Christus, en sterven een winst. Fil 1, 21
- Dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat nog ontbreekt aan het lijden van de Christus. Kol 1, 24
- Ik draag de merktekens van Jezus in mijn lichaam. Ga 6, 17
- Niemand kan een ander fundament leggen dan wat er reeds ligt, namelijk Jezus Christus. 1Ko 3, 11
- De liefde van Christus laat ons geen rust, sinds wij hebben ingezien dat Een is gestorven voor allen. 2 Ko 5, 14
- Nu reeds juichen wij in God door Jezus Christus onze Heer, door wie wij de verzoening hebben ontvangen. Rm 5,11
- Gerechtvaardigd door het geloof, leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Rm 5, 1
- De Geest die gij ontvangen hebt is er niet een van slaafsheid, die u opnieuw vrees zou aanjagen. Gij hebt een geest van kindschap ontvangen die ons doet uitroepen: Abba, Vader! Rm 8, 15
- De Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Rm 8, 26

Alles in, en met, en voor Jezus doen, zoals Paulus deed, of alles doen om “Jezus plezier te doen” zoals Thérèse van Lisieux zegde, is de gulden regel voor een goede en heilige vastentijd.

Hoe kunnen we dat concreet beleven?

  • Door constant naar Jezus terug te keren en in zijn tegenwoordigheid te zijn in ons gebed en ons dagelijks leven. Het Jezusgebed uit het Oosterse christendom zou ons hierbij kunnen helpen. Het bestaat uit het voortdurend innerlijk of hardop bidden van de naam Jezus of de formules „Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar” en „Heer Jezus, ontferm U over mij.” Deze vorm van gebed werd in de twintigste eeuw in het Westen vooral onder de aandacht gebracht door het boek „Verhalen van een Russische pelgrim.”
  • Die aanwezigheid vervult en maakt ons sober en vrij, vooral op drie gebieden: aan tafel, in het werk, en de ontspanning.
    • Als ons hart van Jezus’ aanwezigheid is vervuld, zullen wij geen behoefte hebben om onze maag vol te proppen om de leegte van ons hart te compenseren. Maar tegelijkertijd, zullen wij kunnen genieten van een lekkere maaltijd, zonder daarbij een slecht geweten te hebben.
    • Als ons hart bewoond is door Jezus, zullen wij geen behoefte hebben om ons te verslaven aan ons werk, om ons te voelen leven. Maar tegelijkertijd zullen we in bepaalde omstandigheden bekwaam zijn een tandje bij te steken in ons werk, maar met een rustig hart en zonder gewetenswroeging
    • Als ons hart in Jezus rust, zullen wij geen behoefte hebben om compulsief TV te kijken of computerspelletjes te spelen om de tijd te doden en de verveling te verdrijven. Maar tegelijkertijd, zullen wij in staat zijn om af en toe even te ontspannen met een scrabble of een mooie film, en dat zonder ons schuldig te voelen.

Een zalige en vreugdevolle Vasten !

 

Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 150 / 645794

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen België  De activiteit van de site opvolgen Hedendaags geloof   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.26 + AHUNTSIC

Creative Commons License