missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be

IK HEB GOD ONTMOET BUITEN DE KERK.

Getuigenis van ervaring
zaterdag 11 januari 2014 door E. Bladt, Webmaster

Priester en lid van de Sociëteit van de Missionnarissen van Afrika (Witte Paters), Eric Bladt heeft één en vijftig jaar doorgebracht in Noord-Afrika : twintig jaar in Algerije en één en dertig jaar in Tunezië. Hij studeerde, na zijn priesterwijding in 1964, in het Pontificaal instituut voor arabische en islamitische studies in Rome (Pisai), alsook in het taalcentrum van de Zusters-Missionnarissen van Onze Lieve Vrouw van Afrika (Witte Zusters) te Algiers.

In Kabylië (Noord-Oost Algerije) was hij belast met diocesane scholen van het bisdom Algiers. Hij zette zich daarna in dienst van de lokale bevolking voor het bekomen van hun sociale rechten, als ‘publieke schrijver’ (écrivain public).

In Tunezië was Eric Bladt eerst verbonden aan het Instituut van Arabische Letteren (I.B.L.A.), werkte vervolgens in de pastorale zorg te Sousse en Sfax (Zuid-Tunezië). Hij verblijft thans in België.

 GOD KWAM NAAR ME TOE...

Missie, in de christelijke betekenis van het woord, is nooit een individueel gebeuren. Zij is nooit een persoonlijk, geisoleerd werk. Missie is een gemeenschappelijk gebeuren. En toch,in de loop van die lange tegenwoordigheid in de Islam-wereld van Noord-Afrika, begon ik mij, op een dag, vragen te stellen : Ik ben gedoopt, heb het heilig vormsel ontvangen, ik heb gestudeerd, ik heb een priester- en missionnarisopleiding ontvangen. Toen heb ik een keuze gemaakt, persoonlijk en bewust, die mij geleid heeft naar een persoonlijke ervaring van het evangelie. Wat betekent kristen zijn ? Wat betekent missionnaris zijn ? Wat betekent Kristus volgen ? Of nog meer : hoe maak ik mij eigen de zending van Kristus zelf, een zending van bevrijding, vermenselijking ?

Het is voor mij een overtuiging geworden : Het evangelie is tegelijk een menselijk en geestelijk groeiproces. Het evangelie schenkt mij een nieuwe kijk op de complexiteit van de wereld, maar ook van mijn eigen leven en dat van de anderen. Het gaat hier ook om een andere kijk op de Kerk. Ik ben aangekomen in Noord-Afrika na de onafhankelijkheid van Algerije (1962) en Tunezië (1956).

Met andere woorden, ik heb geen ‘koloniale Kerk’ gekend. Ik was wel getuige van de gevolgen van die onafhankelijkheid. Duizenden europeanen weken uit naar hun land van herkomst (Frankrijk, Sicilië, Spanje, Malta, Italië…) In deze periode beleefde de Kerk haar eigen bekering. Het werd een andere Kerk, met nieuwe bekommernissen. In minderheidspositie keek de Kerk nu, als gemeenschap, uitsluitend uit naar de plaatselijke bevolking. In dit opzicht waren de missionnarissen al lang voorlopers geweest van deze nieuwe situatie maar werden dikwijls niet begrepen door de ‘koloniale bevolking’. De kristenen van deze nieuwe Kerk werden uitgenodigd om samen diezelfde pastorale richting in te gaan.

Ik stond dus voor een avontuur, dat ik beschouw als een geschenk van God, een geestelijk en menselijk avontuur. Ik had daarvan niet het minste idee, toen ik binnenging bij de Witte Paters, in Boechout, in 1957 !

Door lezingen van de geschriften van Charles de Foucould, de kluizenaar van de woestijn, had God in mij een obsessie, een passie opgewekt. De geschiedenis van België zit er voor niets tussen, vermist mijn land nooit een historische band gehad heeft met de Maghreblanden (landen van Noord-Afrika grenzend aan de middelandse zee). Stilaan kwamen die beelden van de woestijn aan mij voor als een wereld tegelijk mysterieus en aantrekkelijk. In die wereld, in haar minderheidspositie, voelde de Kerk aan dat zij zich moest vastkrampen aan de essentie van haar geloof : God, geopenbaard als Vader, Zoon en Geest, gegeven Liefde, de Blijde Boodschap, het Rijk van God, namen de eerste plaats in, en niet de institutionele Kerk.

 ALLES VERLATEN OMWILLE VAN DE ONTMOETING MET DE ‘ANDERE’

Op het einde van het noviciaat, wij zijn in 1960, kreeg ik de gelegenheid om een wens uit te drukken. “ Waar wilt gij uw theologische studies verder zetten ?” Als toekomstige Witte Paters, hadden wij de keuze tussen Canada, Engeland, Heverlee in België en Carthago in Tunezië. Voor mij was de keuze meer dan duidelijk. Ik werd effectief uitverkozen om te vertekken naar Carthago. Het woord ‘missionnaris’ riep toen al in mij een heel andere inhoud op : alles loslaten, mijn plaatselijke Kerk verlaten, mijn land verlaten, de ontmoeting aandurven met de ‘andere’, anders in zijn taal, zijn psychologie, zijn kultuur, zijn sociale herkomst, zijn godsdienst.

Met ons tweeën, een konfrater uit Antwerpen en ik, kwamen wij aan in het scholastikaat (de theologische vorming) van Carthago in augustus 1960 voor het vervolg van onze priesteropleiding. Al vlug maakte ik deel uit van hetgeen men toen noemde : “De arabische uitstapjes” (les sorties arabes). Iedereen maakte er geen deel van uit, alleen vrijwilligers. In groepjes van drie brachten wij bezoek aan de bedoeïenenfamilies, een kleine nederzetting rond het oude vliegveld van El Aouina bij Tunis. De leiders van de groepjes hadden reeds de tijd gehad om het tunezisch dialect te bemeesteren. Voor mij was dit de eerste botsing met ‘het verschillend zijn’ : de taal, de armoede, de tatoeëring en de kledij bij de vrouwen, de kaders aan de muren met de naam ‘Allah’ (God) en ‘Mohammed’ (hun profeet). Maar ik was ook getroffen door hun vriendelijkheid, de eerbied, het onthaal van die vreemden die wij waren, en daarbij nog kristenen en « babbas » wat in het tunezisch dialect betekent « Pater ». Voor mij waren die « arabische uitstapjes » het begin op een lange weg, waar de Heer mij stilaan de draagwijdte van Zijn Blijde Boodschap zou inprenten en ook de evangelische zin van mijn tegenwoordigheid in Noord-Afrika.

Ik was klaar om, in 1963, de eed van de Missionnarissen van Afrika uit te spreken. Het jaar daarop werd ik priester gewijd in Terbank bij Heverlee.

De jaren 1964-1966 waren gewijd aan de studie van de arabische taal (letterkundig araabs) en de islamologische wetenschappen in het ‘Pontificaal Instituut voor arabische en islamologische studies’ (Pisai) te Rome. Ik herinner mij nog goed het bezoek aan ons instituut (het was de tijd van het concilie Vatikaan II) van Kardinaal Duval, aartsbisschop van Algiers (1903-1996). Zijn woorden en gedachten zullen op mij altijd een diepe indruk maken en mij helpen in mijn geestelijke en apostolische groei. “De grote kulturen en beschavingen in de wereld zijn geen leegten van genade.” Of nog : “De grote vreugde van de missionnaris bestaat er in, vast te stellen dat de Heilige Geest hem voor is. Ja, die Heilige Geest, als Liefde van God, verbreidt zich over de hele wereld. Hij is tegenwoordig in het geweten van elke mens, in de kulturen en het geestelijk leven van alle volkeren.”
Talen leren kunt ge uit luitere intellectuele interesse, maar ook om dicht bij de mensen te staan, hen te ontmoeten, de vreugden, de pijnen, de zorgen van onze gemeenschappelijke menselijke roeping te bepraten in hun taal.
De islamologische studies brachten mij dichter bij dat deel van de Waarheid, dat millioenen mensen bezielt in de wereld en hen doet leven. “De echte aanbidders van God, aanbidden Hem in geest en waarheid.” (Johannes 4 :23) Ik voeg er nog deze bedenking aan toe van de Heilige Augustinus : “Niemand onder ons mag zeggen dat hij de Waarheid heeft ontdekt ; Zoekt haar alsof ze door niemand onder ons gekend is.” (Epistel ‘Het fundament’, 3)
Ik denk soms dat de Kerk in Noord-Afrika, na de onafhankelijkheid, al lang de diepe houdingen tegenover de niet-kristenen beleefde, vooraleer het Concilie Vatikaan II deze op een plechtige wijze ging aankondigen.

 IN ALGERIJE, WERKEN VOOR EN MET NIET- KRISTENEN

Ik kwam dus aan in Algerije tijdens de zomer 1966, na de arabische en islamologische studies in Rome. De regionale overste in Algiers vroeg mij toen een dienst te bewijzen in het kader van de diocesane scholen in Kabylië (Noord-Oost Algerije). Maar die bevolking spreekt geen arabisch, wel berbers. Ik begon als leraar arabische taal, maar de verantwoordelijken beloofden mij toch de kans te geven ook de berberse taal te leren. Deze ervaring wekte in mij de overtuiging op dat de zin van mijn missionnaire tegenwoordigheid in dat land er in bestond te leven en te werken met en voor niet-kristenen. De leerlingen in onze scholen waren 100% moslem kinderen, het personeel waren moslems, en als school hingen wij af van de staatsstrukturen van het onderwijs. Het schoolprogramma was het nationaal programma, inbegrepen het onderwijs van de arabische taal en de Koraan. Het was voor mij een geestelijke vreugde zo stilaan in het evangelie van Jezus Kristus binnen te dringen. Zijn zending werd de mijne. Eigenlijk was Jezus zelf de eerste missionnaris. Hij leerde mij, met de tijd, wat het eigenlijk betekende de anderen te willen ontmoeten, en die waarschijnlijk, heel hun leven anders zullen blijven. Hij heeft mij de eerbied van de alteriteit ( het anders zijn) geleerd. Ik begon zo stilaan iets meer te begrijpen van wat wij de ‘Liefde van God’ noemen : gratische liefde, belangeloos, onvoorwaardelijk, universeel.

Die periode van de scholen, die zou duren tot de nationalisering van het privaat onderwijs, inbegrepen algerijns, gaf mij de gelegenheid te werken met jonge algerijnse en oosterse onderwijzers ( uit Libanon, Palestina et Syrië ) Enkelen onder de oosterlingen waren kristenen, anderen orthodoxen en moslems. Allen gegeven aan eenzelfde werk : het onderwijs aan berberse kinderen. Die scholen waren ook de plaats waar algerijnse leerkrachten leerden werken en omgaan met oosterse kollegas, onder wie dus kristenen. Fantastische ervaring voor iedereen.

 LEREN OMGAAN MET MENSEN DIE NIET ZIJN ZOALS IK

Verrijkt door de kennis van de berberse taal, en dus benoemd in de scholen en de dorpen van Hoog Kabylië (de top is op 2308 m.), heb ik het geluk gekregen gebeurtenissen te beleven die mij volop in het Oude en het Nieuwe Testament wierpen. Ik herinner mij nog het feest van de schaapslachting (Aïd El Kebir), de herdenking van het offer van Abraham. Er heerste een buitengewone atmosfeer in het bergdorp. En in mij voelde ik een diepe emotie door de religieuse (kristelijke) referenties.

Zo was ik uitgenodigd in een familie, verenigd op de binnenkoer van de berberse woning. Ouders, kinderen, klein-kinderen, iedereen was aanwezig en ik ook. Op het ogenblik dat het bloed van het schaap gutste, dompelde de oudste vrouw een mes in het bloed en merkte daarmee het voorhoofd van elk lid van de familie. Spontaan kwamen in mij niet alleen het offer van Abraham in het geheugen maar ook de brief van de Heilige Paulus aan de kristenen van Ephese : “Jezus, Ons Paaslam, heeft zich geofferd om de eenheid van het volk te herstellen. Het Paaslam, geslacht op het hout van het Kruis.” Wanneer ik, in de viering van de Eucharistie de uitdrukking ‘Lam Gods’ uitspreek, denk ik terug aan die voormiddag in Hoog Kabylië.

Toen ik ‘s namiddags door het dorp wandelde, beleefde ik een nieuwe emotie, een aangrijpend tafereel : niet alleen de deuren van de huizen waren gemerkt met het bloed van ‘s morgens (traditioneel zegt men ‘de hand van Fatima’, één van de vrouwen van de profeet Mohammed’), en het bloed vloeide van onder de deuren op de enge aarde weg naar beneden. Toen ik terug thuis kwam, herlas ik onmiddelijk de passage in Exodus 12 : 1-14 “ Aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen. Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de Heer.” Die ‘ritus’ heeft mij dichter bij mijn eigen geloofsbronnen gebracht, wetende ook dat de betekenis die ik gaf aan hun feest, niet dezelfde was voor hen.

 GELOVEN IN DE KRACHT VAN DE VRIENDSCHAP

Ik durf zeggen dat ik twee profeten van de moderne tijden gekend heb, die mij geleerd hebben wat het betekent leerling van Jezus Kristus te zijn in de Islam-wereld. Vooreerst Kardinaal Duval (1903-1996), aartsbisschop van Algiers en Pater André Demeerseman (1901-1993), missionnaris van Afrika (Witte Pater) in Tunis.

Het werd mij gegeven de intimiteit van berberse families te delen en dat deed mij dikwijls denken aan de woorden van de Kardinaal, die ook een fan was van de Heilige Augustinus (berber langs de kant van zijn moeder) : « De Liefde van God is grenzeloos. De Heilige Augustinus zei : om elkaar te kennen, moet men elkaar beminnen, en niet om elkaar te beminnen, moet men elkaar eerst kennen. Men kan niet iemand echt kennen, zolang dat men niet binnengetreden is in het heiligdom van zijn vriendschap. » Of nog : “Mijn jaren apostolaat in Algerije, ik kan ze resumeren in één woord : vriendschap. Ik geloof in de kracht van de vriendschap.” Of nog : “ Ik geloof in de revolutionnaire kracht van de naastenliefde.” De enige vorm van ‘dialoog’ waarin de kardinaal echt geloofde, is de dialoog van het dagelijkse leven. « De dialoog van het leven is voor mij een verplichting van het geloof. »

Natuurlijk beschouwde ik mijn leven en werken als een kerkelijk gebeuren. Maar welke Kerk ? Kardinaal Duval gaf ons zijn antwoord : “ Van nature is de Kerk extatisch. Dat betekent dat de Kerk echt leeft wanneer zij buiten haar eigen grenzen treedt”.

“ Leven is beminnen. Beminnen is trachten de naaste te begrijpen, hem te dienen, in de absolute eerbied van zijn vrijheid en zijn wettelijk streven. Op die wijze kan hij de wil van God volbrengen.” In die kontekst, houd ik veel van een bedenking van Johannes-Paulus II in zijn encykliek ‘Redemptoris missio’ : “De Kerk, in navolging van Jezus Kristus, dringt niets op, zij stelt voor, zij dwingt niet, zij eist niet. De Kerk blijft stil staan voor het altaar van het geweten.”

Bisschop Jean Scotto (1913-1993) was in dienst van de kerkgemeenschap in Constantine (Noord-Oost Algerijë). Van hem onthoud ik een verhaaltje dat hij graag vertelde : “ Er leefde eens een eenvoudige, wijze man, die vele kinderen had. De khalief (een politieke verantwoordelijke in het begin van de Islam) vroeg hem aan wie van zijn kinderen hij de voorkeur gaf. De wijze man antwoordde : Aan de kleinste, totdat hij groot wordt; aan diegene die ver van huis is, totdat hij terugkomt; aan het zieke kind totdat het geneest; aan hem die in de gevangenis zit, totdat hij bevrijd wordt; aan hem die beproevingen moet doorstaan, totdat hij getroost wordt.”

 DE KERK, DIENARES VAN DE MENSHEID.

In zijn slotredevoering van het tweede Vaticaans konsilie, onderstreepte Paulus VI : « De Kerk heeft zich als het ware zichzelf uitgeroepen tot dienares van de mensheid. » In die geest probeerde ik te werken toen ik de directie kreeg toevertrouwd van een beroepsschool voor volwassenen (CFPA) te Djemaa Saharidj, bij Melka, in de provincie van Hoog Kabylië. Wij vormden er industriele technische tekenaars. (1972-1975) In die periode hadden de Witte Paters nog andere beroepsscholen in Algerijë zoals scheikunde, landbouw, bouwkundig tekenen, boekhouding, elektronica. Op die wijze, wilde de Kerk meewerken aan de opbouw van de jonge republiek, amper onafhankelijk. (1962)

In de loop van de jaren nadien ontmoette ik meerdere oud-leerlingen uit de beroepschool, ondertussen gehuwd en familievader geworden, en ik dacht dikwijls : er is ergens een boodschap doorgedrongen namelijk die van de belangelose vriendschap, de eerbied voor wat zij en ik wilden zijn, het wederkerig vertrouwen.

Ik herinner mij zo de begrafenis van een vermoorde konfrater in Tizi Ouzou (1972), een plechtigheid voorgezeten door Kardinaal Duval. Een massa leerlingen en vrienden (algerijnen en dus moslems) volgden de lijkwagen naar het europees kerkhof. De lijkwagen was voorafgegaan door vijf inspecteurs van het onderwijs. Bij zo’n gelegenheid bestaan er geen etiketten meer van godsdienst of nationaliteit. Het ging hier om mensen tegenover het mysterie van de dood, die samen, in vriendschap, dezelfde beproeving doorstaan; ieder leest het gebeuren met de ogen van zijn geloof.

Het land kende rond de jaren 70 een gespannen atmosfeer. Het socialistisch bewind van toen ging over naar de verspreiding van de verschillende ‘handvesten’ : het handvest van de socialistische ondernemingen, het handvest van het landbouw beheer, dat van de jeugd en de kultuur. Een groot wantrouwen groeide tussen de bevolking zodanig dat de mensen niet meer in onze huizen durfden binnenkomen. Het handvest van de socialistische ondernemingen stond op het leerprogramma van de beroepschool. Een zeer mooie tekst, het paradijs op aarde, maar weinig realistisch. Men nam de mensen wat te vroeg voor heiligen. Toch las ik samen met de leerlingen van de beroepschool dit handvest. Ik gaf er mijn kommentaar op, wij ontleedden samen de tekst.

In diezelfde periode voelden wij al aan dat een nieuwe periode zich voorbereidde, niet alleen voor het land maar ook voor de Kerk : de nationalisatie van de vrije scholen, ook de algerijnse vrije scholen.

Zij werden door de staat overgenomen of gewoon verlaten.

 IN NIEUW AVONTUUR IN TUNEZIE, EEN NIEUWE UITDAGING.

De regionale overste in Algiers kreeg een oproep vanuit Tunis. Wij zijn in 1976. Het ‘Instituut voor arabische Letteren’, gesticht in Tunis in 1926 door de Witte Paters, was op zoek naar een arabisant, bekwaam om de bibliotheek van de middelbare afdeling te arabiseren. Inderdaad, de filosofie werd voortaan in het arabisch onderwezen. Ik was klaar voor de uitdaging.

Een nieuw avontuur. Voor de jeugd die het instituut dagelijks bezocht was het evident dat de ‘babbas’ (een woord uit hun dialekt dat ‘Pater’ betekent) het tunezisch dialekt spreken. Ik mocht dus het berbers vergeten. Meteen aan de slag om dat tunezisch dialekt te leren. Het ‘Instituut voor arabische letteren’ was samengesteld in drie aktiviteiten : de universitaire bibliotheek, die voor de middelbare afdeling en het letterkundig tijdschrift dat de naam draagt van het Instituut : ‘I.B.L.A.’ en begonnen was in 1937. Ik heb er onvergetelijke ontmoetingen beleefd met de tunezische jeugd. Voor meer dan één waren wij een vraag : wie zijn die mannen, vreemdelingen, kristenen, ongehuwden, kenners van de arabische wereld en die zich zo maar ten dienste stellen van Tunezië ?

Ik realiseerde met de tijd en dit niet alleen in het instituut, maar later ook in zuid-Tunezië, hoe die jeugd vol zit met vragen, maar aan wie ze toevertrouwen ? De ouders ? de familie ? de moskee ? de Imam ? Eén van de eucharistische gebeden zetten mij op weg van de juiste geestelijke houding, die paste : « Heer, maak van Uw Kerk, een ruimte voor vrede, vrijheid en waarheid. » In spontane gesprekken voelde de jeugd zich onthaaald en niet veroordeeld, zoals vaak in hun eigen midden. Zij voelden zich op hun gemak met ons. Zij speelden geen komedie. Op een dag vroeg een meisje mij tussen vier ogen : “Eric, is het mogelijk zijn vader te vergeven ?” Ik verstond de vraag niet onmiddelijk, maar tijdens het gesprek werd het mij duidelijk. Haar vader had het huis sinds tien jaren verlaten om in Frankrijk werk te zoeken. Hij vergat vrouw en kinderen en kwam nooit terug. Het gesprek eindigde met de woorden : “Ik zal proberen. Ik zal nooit de deur voor hem sluiten.”

 OGENBLIKKEN DIE DICHTER BRENGEN BIJ DE ENE GOD.

Dank zij mijn werk op de bibliotheek, kwam ik in kontakt met enkele families van een volkswijk buiten de stad. Daar kreeg ik het geluk enkele feitjes te beleven, die mijn klein verstand te boven gingen. Ik durf zeggen dat die gebeurtenissen mij dichter brachten bij de Ene God.

Op een dag, vooraleer de eucharistie te vieren bij een gemeenschap religieuzen, ging ik op bezoek bij een familie, waarvan de kinderen onze bibliotheek bezochten. Ziende dat ik op het punt stond weg te gaan, hield de moeder mij tegen : “Wacht een ogenblik, ik kom terug.” En inderdaad, zij kwam terug met in de handen drie zelf gebakken galetten. (In het arabisch ‘khoubs tabouna’) In onze eucharistische viering, zegt de priester : “Heer, wij offeren U het werk van mensenhanden”. Zij zei mij : “ Ik heb gezien op de italiaanse televisie dat gij, kristenen, als gij bidt, ook brood eet. Kijk, als ge van dit brood zult eten bij de Zusters, dan eet ik hier van hetzelfde brood met mijn kinderen.” Het spreekt vanzelf dat ik die galetten gebruikt heb als eucharistisch brood tijdens de mis. Ik denk nog dikwijls terug aan deze ontmoeting. Hoe is het mogelijk, dat die vrouw, gelovige, moslem, dochter van een Imam, in haar hart heeft aangevoeld wat voor mij belangrijk is? Ik zou zelfs durven zeggen : Hoe is zij gekomen tot zo’n geestelijke overeenstemming met mij, een kristen ? Jezus zou tot haar gezegd hebben : “Vrouw, uw geloof is groot.“

Tijdens de warme zomer vonden de kinderen in diezelfde familie een groot plezier mij in een hoek van de binnenkoer op een stoel te duwen en mijn voeten te wassen.

Ik dacht aan Petrus tijdens de voetwassing (Jn 13) : “Petrus, laat u beminnen, in plaats van altijd de eerste, de grootste, de sterkste te willen spelen. “ Jezus ging op de knieën zitten voor hem. Was het dan toch Jezus die mij de voeten waste ?

Bij een andere familie bereidde de oudste zoon zich voor op een eindejaars examen. Ik werd uitgenodigd op een avondfeestje. Een feestje, niet zoals de andere feestjes, maar een echte religieuse avondwake. Ik kreeg de ereplaats, versta : op de grond gezeten, in een grote kamer, omringd door de vrouwen, de kinderen, de mannen uit het gebuurte, tegenover de zangers van de moskee. Tot laat in de nacht, liet ik mij meeslepen in het intens rythme van de gezangen, niet alleen verzen uit de koraan maar ook de negen en negentig schoonste namen van God (El asma el housna). In de loop vande avond, zie ik plots de huismoeder in een schuif zoeken. Ze trok er een stukje papier uit, dat ze in haar hand verborg. Ze stapte over de reeds slapende kinderen in mijn richting en duwde het papiertje in mijn hand. Zo bescheiden mogelijk wilde ik weten wat dat papiertje betekende. Groot was mijn verrassing toen ik vaststelde dat er, geschreven met een potloot en in het arabisch, eenvoudigweg de tekst opstond van mijn “Onze Vader”. Alsof zij mij wilde zeggen : “ in onze ritussen voelt ge u misschien wat verloren, maar in dit gebed zult ge uzelf terugvinden “. Wat kan God delikaat zijn.

Neen, God is niet afwezig in de Maghreblanden.

 TERUG NAAR KABILIË, EEN NIEUW GESCHENK VAN GOD

In 1984 drong de provinciale overste in Algiers er op aan dat ik terug zou komen. Niet alleen omdat ik vroeger het berbers had geleerd maar ook om de gemeenschap van Tizi Ouzou te ‘verjongen’. Tizi Ouzou is de hoofdstad van de provincie ‘Hoog Kabylië’. Ik ben er tien jaren gebleven.

Die tijd beschouw ik weer als een geschenk van God. Ik begon eerst mijn kursussen van het berbers te herzien, want dat zou mij later onmisbaar worden. Het werd mij gegeven publieke schrijver te worden of, als ge het verkiest, sociaal assistent. Hoeveel duizende mannen hebben in Frankrijk gewerkt en komen eens op de ouderdom van hun pensioen ? Zij hebben dus sociale rechten. Vergeten wij niet de weduwen, oude of jongere, van wie de echtgenoot sterft in volle aktiviteit, en die hun rechten niet kennen. Langs die sociale dienst kwam ik in kontakt met vele families. Ik heb er één gekend, werkelijk buiten het gewone ! De vader, afkomstig uit een dorp op een heuvel rechtop Tizi Ouzou, was zijn beroepsleven begonnen als mijnwerker in het noorden van Frankrijk. Hij liet zijn vrouw naar Frankrijk komen en vijf kinderen zijn daar geboren. Zij genieten dus van de dubbele nationaliteit. Eén zoon werd in Algerije geboren na hun definitieve terugkomst in hun land. De drie oudsten zijn meisjes en hebben studies gedaan. Eén behaalde een doktoraat in franse litteratuur, een tweede werd dokter in de geneeskunde, een derde waterbouwkundige. Twee jongens vonden hun toevlucht bij de franse politie.

 DE WAARHEID ZOEKEN…DE GETUIGENIS VAN NADIA.

In de loop van haar universitaire studies in Parijs, die eindigden met een doctoraat in franse letterkunde, schreef Nadia, de oudste van de familie, mij, in 1992 : « Ik woeker al een hele tijd met een idee, dat al lang in mij rijpt : God ontdekken. Ik lees uw Heilige Schriften en ik beken dat mij dat helpt veel te begrijpen. Mijn lezing zou nog nuttiger zijn, moest ik een gids naast mij hebben of een geschiedschrijver. De geschiedenis van het mensdom is begonnen in Palestina. Daar moeten wij de waarheid zoeken. Ik ben gelukkig hier in Frankrijk de Bijbel te kunnen lezen in alle vrijheid. En een leven daaraan wijden, loont de moeite, het is geen verloren tijd, integendeel, het loont de moeite beleven te worden.”

Na vijf maanden verblijf in Parijs, deelt zij mij haar ontgoochelingen mee : “ In feite gaat het om de menselijke relaties…een verschrikkelijke eenzaamheid…een menselijke koelheid..het is het drama van een grootstad die ontmenselijkt…Als het menselijke niet meer op de voorrang staat van onze zorgen, hoe kan het leven somber worden, zinloos. Wij zijn toch geroepen om met elkaar en voor elkaar te leven.” Zij herinnerde zich in een andere brief het bezoek van de franse Abbé Pierre (de stichter van de voddenrapers : Emmaüs) aan Assekrem (de plaats waar Charles de Foucauld geleefd heeft in de Algerijnse woestijn) en drukte als volgt haar gevoelens uit : “ Voor een spirituele retraite is de plaats goed gekozen. Dat maakt deel uit van het ‘onnoemelijke’. Hij geeft mij de indruk iets speciaals gezocht te hebben, iets eigen aan onze woestijn, alsof daar ergens een waarheid verborgen lag, een laatste verlangen, om daarna rustig te sterven.”

 EEN HARDE TIJD : DE ZWARTE JAREN VAN ALGERIJË.

Ik herinner mij nog dat ik tijdens de ‘zwarte jaren’ (1988-2000)een paar studenten ontving in ons huis te Tizi Ouzou. Zij waren lid van de partij ‘Islamitisch heilsfront’ beter gekend onder de afkortingen F.I.S. = Front islamique du salut. (Deze partij had de verkiezingen gewonnen in 1991 maar de toenmalige regering had ze gedwongen te verdwijnen…vandaar het gewapend geweld…de zwarte jaren.) Die twee mannen waren trouw en ponctueel aan de afspraken. « Mogen wij elkaar af en toe ontmoeten, want onder ons praten wij altijd over hetzelfde ? “ Het onderwerp van hun opzoekingen was : ‘Geloof en rede’, ‘Geloof en wetenschap’. “ Wat zegt het kristendom daarover ? “ Na enkele maanden heb ik ze niet meer teruggezien. Wat zijn ze ondertussen geworden ? Algerijë en de Kerk in Algerijë beleefden na 1988 een zeer harde, pijnlijke en beproevende tijd.

Ik heb ook mijn deel gekregen, tot twee maal toe. Van dichtbij gekonfronteerd worden met terroristen wens ik niemand toe. Ik had toen maar één gebed op de lippen : “ Heer, ziehier mijn leven. Ik geef het U terug. “ Na die gebeurtenissen zaten wij samen op een avond rond de tafel. De gemeenschap kon zich vrij uitspreken. Drie wilden blijven. Ik vroeg de vrijheid mij terug te trekken. Ik kwam aan in Tunis op 10 december 1994. De konfraters die gebleven waren en één die op bezoek kwam, werden zeventien dagen later doodgeschoten op de koer. Het was op 27 december 1994.

De jaren nadien, bewees ik mijn diensten in de pastoraal van de Kerk in Tunezië : SOUSSE, de hoofdstad van het tunezisch toerisme, en SFAX, nog meer ten zuiden. Tegenover de duizenden toeristen en de studenten uit zwart Afrika, die een studiebeurs hadden bekomen in één van de tunezische faculteiten, hebben wij steeds de zorg gehad een open en sympathieke Kerk te zijn, aandachtig aan de realiteiten van het land, maar ook door de aandacht van de kristenen te vestigen op wat belangrijk is voor de tunezische bevolking.

 NAGEDACHTENIS VAN EEN IMMENSE SOLIDARITEIT

Mijn laatste jaren in Tunezië stonden in dienst van de konfraters : ekonoom van de sector Tunezië. Gedurende deze periode ben ik getuige geweest van een brand die de universitaire bibliotheek van de I.B.L.A. verwoest heeft. Dit gebeurde op 5 januari 2010.

Wat mij zal bijblijven in het geheugen is de immense solidariteit die ons omringde : de buurvrouwen die eten brachten aan de konfraters, studenten en professoren, die kwamen klasseren, reinigen, drogen, verbinden wat nog kon gered worden. Voegen wij er nog aantoe de aandacht van de president van de Republiek, het Ministerie van Kultuur, de Nationale Bibliotheek, de Archieven van de Republiek. Deze laatsten hielpen ons waardevolle documenten weer in gebruik te stellen. En toen dacht ik : wij beleven hier volop de parabel van de Barmhartige Samaritaan. (Lc 10 : 25-37) De I.B.L.A., dus de Kerk, lag in de gracht ! Moslems hebben alles in het werk gesteld om het instituut te helpen terug op te staan, een werk van de Kerk te redden.

Gezondheidsproblemen hebben mij gedwongen terug naar België te komen.

Dank U, Heer, mijn God.

Eric BLADT
Général Tombeurstraat 32,
1040 Brussel
België.
 

Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 536 / 628196

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen Getuigenissen - Gebeurtenissen   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.26 + AHUNTSIC

Creative Commons License