missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be

Slavernij – Een Bijbelse overweging

Joe Buholzer, M. Afr
woensdag 23 april 2014 door D.F. (Vertaling), Webmaster

In mijn overweging, zal ik de termen “slavernij” en “rechtvaardigheid” bekijken in het Oude en het Nieuwe Testament. Ik zal ook stilhouden bij de buitengewone houding van Jezus tegenover mensen die aan de rand van de samenleving staan en bij zijn relatie met zijn leerlingen.

OUD TESTAMENT

L aten we beginnen met het verhaal van de slavernij van Israël in Egypte en de Uittocht (Exodus) die een grondleggende ervaring was.

Wanneer God zich aan Mozes getoond heeft, zegt Hij: “Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is. Ik ben afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen.” (Ex. 3,7-8) God vereenzelvigt zich met dat volk dat tot slaaf gemaakt werd en Hij heeft Mozes gezonden om het te leiden, in zijn naam, naar het land van vrijheid en van overvloed.

Gelijkaardige ervaringen aan deze hebben zich voorgedaan tijdens andere ballingschappen, toen het volk opnieuw gevangen werd genomen en gedwongen werd naar Assyrië en naar Babylon te gaan. Deze twee ballingschappen, echter, waren eerder een gedeeltelijke verplaatsing van de bevolking, dat sommige rechten behield.

Aan deze ervaring van de bevrijding uit Egypte werd eens per jaar herinnerd in de Tempel met offers en in de kring van een familiale liturgie ter gelegenheid van het Paasmaal. Dat bleef het belangrijkste referentiepunt voor de Joden, zoals Ex. 13,3; Deut. 5,15 en Lev. 25,42.55 hen eraan herinneren : “Zij zijn inderdaad mijn dienaars, die ik uit Egypte heb doen weggaan, en zij moeten niet verkocht worden zoals een slaaf verkocht wordt.” Bijgevolg, was het niemand toegelaten een Hebreeuwse burger tot slaaf te maken : een Hebreeuwse burger gevangen nemen en er een slaaf van maken of hem aan anderen verkopen was streng verboden en met de doodstraf bestrafbaar (Ex. 21,16).

N ochtans bestond er een zekere vorm van slavernij onder de Hebreeuwen. We zouden deze “dienst op lange termijn” kunnen noemen. Gezien een extreme armoede of een onmogelijkheid om een belangrijke schuld af te betalen, kon iemand zijn werk verkopen. (Lev. 25,38; Deut. 15,12ss; Amos 2,6; Neh. 5,5). Hij werd eerder als dienaar dan als slaaf behandeld. Nochtans, werd die slaaf bevrijd in het Jubileumjaar. Volgens Deut. 15,14 (verschillend van Ex. 21,2) vertrok hij niet met lege handen: “Volgens wat de Heer u heeft toebedeeld zult ge hem geven. Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de Her, uw God, u bevrijdde.” (Deut. 15,12ss.15) Nochtans, als de dienaar ervoor koos bij de meester te blijven en een “slaaf” wilde blijven, werd hij getekend en werd hij een permanente slaaf (Ex. 21,6). Jeremias heeft het volk ervan beschuldigd de bevrijding van de slaven niet te respecteren zoals gestipuleerd in de wet van het Jubileumjaar (Jer. 34,10). Fundamenteel, had een Hebreeuw niet de toelating een Hebreeuwse medeburger tot slaaf te maken omdat God zijn volk had bevrijd.

Terwijl de Joden geen van de hunnen tot slaaf mochten maken, werd de slavernij van niet-Hebreeuwen aanvaard. De meeste slaven waren, van oorsprong, oorlogsgevangenen. “De dienaars en dienaressen die gij zult hebben zullen komen uit de naties die u omringen, het is daaruit dat ge dienaars en dienaressen zult kunnen verwerven.” (Lev. 25,44). Die slaven konden overgedragen worden door erfenis binnen de Joodse familie, of konden worden verkocht, maar zij konden ook bevrijd worden. Er waren ook enkele wetten betreffende de vreemdelingen, zoals deze: “Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Jullie weten immers hoe het voelt om vreemdeling te zijn, omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte.” (Ex. 23,9)

We kennen het aantal van vreemde slaven niet in Israël. Zij bevonden zich, meest waarschijnlijk, aan het koninklijk hof en in andere belangrijke instellingen. Het probleem van de vreemde slaven betrof dus waarschijnlijk niet de eenvoudige mensen als zodanig.

M et de komst van de profeten, is het perspectief langzaamaan verbreed, de liefde en de aandacht van God heeft zich geopend naar alle naties. Is. 35,1ss beschrijft prachtig de uiteindelijke transformatie van de schepping en de verzoening van al de nog blijvende vijandelijkheden en tegenstellingen. (cf. Is. 65,17s; Ez. 41,1ss). De profeten spraken niet alleen over de toekomst maar kwamen ook sterk op tegen de onrechtvaardigheden begaan door de Hebreeuwen: Waartoe dienen uw gebeden en uw talrijke offers in de Tempel als ge geen enkele medelijden hebt met de arme onder u en hem onrechtvaardig behandelt ? (cf. Is. 58,6-7; Os. 6,6; Mi. 6,8). Ze moeten zo handelen dat: “het recht stroomt als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek.” (Am. 5,24)

In deze prachtige en fundamenteel, voor ons, van het boek Genesis (1,1ss), biedt de auteur van het scheppingsverhaal het hoogtepunt van de openbaring in verband met de waardigheid van de menselijke persoon: "God zei: Laten we mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken… God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.” (Gen. 1,26ss) Deze twee verzen openbare op een buitengewone wijze de waardigheid en de heiligheid van al de personen, mannen en vrouwen, welk ook het ras of de conditie zou zijn, want zij zijn niet enkel door God geschapen maar naar zijn evenbeeld.

NIEUW TESTAMENT

O p een verrassende wijze, gebruikte Jezus de term “slaaf” (dienaar) in een positieve betekenis wanneer hij de relatie tussen de leerlingen en hem beschrijft. In Matteüs 10,24-25 volgt, gehoorzaamt en voegt een ware leerling zich naar zijn meester als een dienaar, niet op de manier van een slaaf maar op een vrije manier. (Mat. 20,27-28; Marc. 10,44). Uiteindelijk, zullen de meester en de dienaar, op een zekere wijze, gelijken worden; en toch zal de leerling zijn meester altijd volgen en zal hij nooit vóór hem uitgaan.

Als we trachten te vinden welke de houding van Jezus was tegenover de slavernij, dan vinden we niets. De Evangelies vermelden slechts één maal een slaaf: het is de versie van Lucas wanneer een niet-Hebreeuwse honderdman tot Jezus nadert (Luc. 7,2) en hem vraagt zijn geliefde slaaf (of knecht) te komen genezen. Deze vraag leidde Jezus er niet toe een opmerking te maken in verband met de slavernij maar wel over verwonderlijk geloof van die vreemdeling, de honderdman. In de versie van Matteüs (8,11), bevindt zich een buitengewone bevestiging die de Joden aangreep: mensen zullen komen van het oosten en het westen en zullen de Joden voorafgaan in het Rijk der Hemelen. We merken hier en elders (bv. Marc. 7,24ss) dat Jezus een veel meer positieve houding had tegenover de niet-Joden, zelfs tegenover de Samaritanen, dan zijn Hebreeuwse medeburgers (cf. Jo. 4,1ss; Luc. 7,11ss; Luc. 10,29ss). In feite heeft Jezus een bres durven openen in de religieuze tradities die de contacten met de vreemden beperkten en hen afzonderlijk hielden.

W at verwonderlijk is, is de liefde en de aandacht die Jezus schenkt aan personen die hij ontmoet op verschillende plaatsen en situaties: vrouwen en kinderen; melaatsen, blinden en bezetenen; openbare zondaars en belastingontvangers die aan de zijkant leefden van de joodse maatschappij. Velen waren zelfs uitgesloten, beschouwd als onrein en men moest hen dus vermijden. Maar, Jezus beschouwt ook dezen als “kinderen van Abraham”, erfgenamen van de goddelijke belofte, uitgenodigd tot het Rijk van God. Hij voelde zich gezonden om hun de liefde van God te openbaren en zijn vaderlijke aandacht. (Mat. 18,12; Luc. 15; Luc. 4,18s; Jo. 8,1ss)

Voor Jezus was geen enkele persoon zonder betekenis, zelfs deze die verloren leek en de kleinste, en niemand mocht dus vergeten worden. Hij zag hen allen als bestemmelingen van de belofte en van de liefde van God. Dat verleende hun een unieke waardigheid. Bijgevolg, zij die Jezus volgen moeten vol respect, liefde en medelijden zijn voor hen, in het bijzonder voor de armen en de kleinen. (Mat. 25,35ss) De ware kinderen van de “Vader in de hemel” moeten liefhebben zoals Hij “want Hij doet de zon opgaan voor de slechten en de goeden en laat het regenen voor de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen”. (Mat. 5,45) In Matteüs 9,13 citeert Jezus de profeet Osea: “Gaat heen en leert wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers.”

BESLUIT

D eze overweging toont ons de waardigheid van elk menselijk wezen. In het begin, beperkten de Hebreeuwen dit tot hun joodse medeburgers. De profeten en Jezus waren radicaler: het geloof in God en de rechtvaardigheid en het medelijden voor zijn gelijken kunnen niet gescheiden worden. Jezus heeft de waarde en de waardigheid erkend van elk menselijk wezen in de ogen van God. Een persoon kan gewond zijn, misvormd, slecht behandeld zijn, misbruikt, enz., maar hij of zij verliest nooit zijn of haar waardigheid.

Kunnen wij eenvoudig onverschillig blijven tegenover de nieuwe vormen van slavernij die de heiligheid en de waardigheid van personen schenden ? Moeten we niet eerder een ploeg vormen met Hem die zijn zending in de volgende termen erkend heeft: “De Geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun brijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer.” (Luc. 4,18) ?

Joe Buholzer, M. Afr.
 

Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 63 / 764478

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen België  De activiteit van de site opvolgen Hedendaags geloof   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.26 + AHUNTSIC

Creative Commons License