missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be
Speciaal nummer

Breuklijnen N°12 Lignes de fracture

April-mei 2008
donderdag 15 mei 2008 door J.V.

RWANDA : DE GACACA-PROCESSEN GEZIEN VANUIT TANZANIA

Onze confrater Jaak Broekx kwam tegen het eind 2007 naar België terug. Nadat hij 31 jaar lang werkzaam was geweest in Rwanda zelf, volgde hij daarna de Rwandese vluchtelingen in de Tanzaniaanse kampen van Rwandese en Burundese vluchtelingen. Hij bleef daar 13 jaar. Hij is een uiterst zorgvuldige getuigen, die in zijn schriftjes duizenden getuigenissen heeft bewaard.

Wat de gacacaprocessen betreft, heeft hij zelf een aantal getuigenissen weerhouden en geordend, waaruit wij dan op onze beurt een nog meer beperkte keuze hebben gemaakt.

Tanzania aanvaardt geen Rwandese vluchtelingen meer sinds 2003. Niemand kan natuurlijk beletten dat mensen die op de vlucht zijn om hun vel te redden illegaal de grens oversteken. In het kamp Lukore alleen al kwamen 5.500 Rwandezen toe tussen 01/01/2004 en 30/04/2007. Alleen al in januari 2007 kwamen er 152 families toe, soms de man alleen, soms ganse families. Oeganda blijft tot op vandaag de vluchtelingen opvangen. Voor velen onder hen zijn de kampen in Tanzania slechts transitkampen. In het Zuiden van Oeganda, dicht bij de grens met Rwanda en Tanzania, zijn vier vluchtelingenkampen geïnstalleerd voor vluchtelingen uit meerdere landen. In een recent deel van het kamp van Nyakivale, Kibati genaamd, telde met begin juni 2007, 28.000 Rwandese vluchtelingen. Alle vluchtelingen van die kampen krijgen van de Oegandese overheid een halve hectare te beschikking gesteld om buiten het kamp aan landbouw te doen (de vluchtelingen die onlangs vanuit Oeganda naar Rwanda zijn teruggekeerd werden door de overheid buitengezet omdat ze hun koeien zonder toelating hadden laten grazen op plaatsen die voor vluchtelingenakkers waren voorzien).Een groot aantal andere vluchtelingen hebben zich gewoon tussen de bevolking gevestigd, zonder ingeschreven te zijn als vluchteling. Wat Burundi betreft, in 2006 zijn meer dan 15.000 Rwandezen naar Burundi gevlucht, maar de kans dat ze er als vluchteling worden erkend is praktisch onbestaande. Ze vestigen tussen de bevolking en hopen…

De voornaamste reden die deze Rwandezen de laatste jaren aanzet om hun land te ontvluchten blijken de gacaca-processen te zijn. We mogen niet vergeten dat het officieel rapport van de Nationale Dienst van de Gacaca-processen, dat verscheen op 29/05/2007, vermeldde dat 818.564 personen verdacht waren deel te hebben genomen aan de volkerenmoord van 1994, waarvan er nauwelijks 12.000 reeds werden gevonnist… Eind 2007 waren meer dan 800.000 personen beoordeeld door de gacaca, maar dan bereikte het aantal verdachten reeds één miljoen, m.a.w. een tiende van de bevolking, borelingen inbegrepen. De helft van de families in Rwanda werden zo bij geviseerd.

Pater Broekx doet nog opmerken dat, sinds zijn vertrek uit Tanzania, het aantal vluchtelingen toeneemt. Nog nooit, sinds 2002, zijn zoveel burgers het land ontvlucht als tegenwoordig het geval is (t.t.z. van januari tot mei 2008). Velen passeren eerst langs Burundi.


WELKE ZIJN DE VOORNAAMSTE REDENEN DIE DE RWANDEZEN AANZETTEN OM HUN LAND NOG STEEDS TE ONTVLUCHTEN ?  [1]

1. De zware boetes opgelegd door de gacaca-processen aan de weduwen van overleden gevangenen en aan vrijgelaten gevangenen

 [2]

  • M.A. [3] is afkomstig uit de gemeente Nyakizu in de prefectuur Butare. Haar man is in oktober 2005 in de gevangenis gestorven. Zij wordt door de gacaca veroordeeld tot het betalen van 1,5 miljoen RWFR [4], omdat haar man beschuldigd was geweest van het doden van 9 koeien ten tijde van de volkerenmoord. Omdat het haar onmogelijk was zulke som te betalen, ontvluchtte ze het land in februari 2006, samen met haar zeven kinderen.
  • M.U. is afkomstig uit de gemeente Kigarama in de prefectuur Kibungo. Haar man overleed in januari 2006. Hij was veroordeeld geweest tot het betalen van 700.000 RWFR omdat hij andermans koeien had gedood. Omdat men haar in de gevangenis wilde werpen omdat zij die som niet kon betalen, vluchtte ze met haar vier kinderen het land uit.
  • N.C. is afkomstig uit de gemeente Kabarondo in de prefectuur Kibungo. Ze weet niet of haar man dood is of uit de gevangenis ontsnapt. Ze werd veroordeeld tot het betalen van 600.000 RWFR voor de koeien die haar man zou hebben afgeslacht. Ze werd aangehouden et betaalde 450.000 RWFR. Daarop werd ze vrij gelaten, maar vermits ze de rest niet kon betalen, is ze gevlucht om niet terug de gevangenis in te gaan.
  • M.M. komt uit de gemeente Nyakizu, prefectuur Butare. Gans de familie was in 1996 vanuit het kamp van Benaco in Tanzania naar Rwanda teruggekeerd. Haar man werd toen onmiddellijk aangehouden, op beschuldiging van moord. Hij overleed in de gevangenis in 2005. Daarop werd zijn vrouw door de gacaca veroordeeld tot het betalen van 900.000 RWFR ter compensatie voor de koeien die haar man had omgebracht. Vermits ze onbekwaam was te betalen, is zij met haar twee kinderen gevlucht op 8 augustus 2006.
  • De familie M.D. uit Nyamata in de Bugesera, was in 1996 uit het kamp Benaco naar Rwanda teruggekeerd. De man zat dan 8 jaar in de gevangenis et werd in 2004 vrij gelaten. Daarop moest hij voor de gacaca verschijnen, waar hij beschuldigd werd de koeien van verscheidene Tutsi’s te hebben gedood. Zijn aanklager had zich reeds lang het huis van M.D. toegeëigend. Veroordeeld tot het betalen van 3.500.000 RWFR., die hij onmogelijk kon betalen, is hij met zijn vrouw en vier kinderen naar Burundi gevlucht. Op 30 september 2006 kwamen zij in Tanzania toe.
  • N. en zijn familie komen uit de gemeente Karambo in de prefectuur Gikongoro. Zij waren in 1997 naar Rwanda teruggekeerd. In 2004 werd N. aangehouden, beschuldigd van diefstal ten nadele van verschillende Tutsi’s. Hij werd veroordeeld tot het betalen van 950.000 RWFR. Hij betaalde 200.000, maar omdat hij geen mogelijkheid zag de rest te betalen, vluchtte hij op 1 november 2006, met zijn vrouw en zes kinderen.
  • R.Y. is afkomstig uit de gemeente Muyira, prefectuur Butare. Wanneer zij in 2001 naar Rwanda terugkeren, werd R.Y. in de kortste keren opgepakt. Hij bleef in de gevangenis tot in 2006. Eens op vrije voeten werd hij door de gacaca beschuldigd koeien en andere zaken te hebben gestolen uit het huis van een Tutsi buurman. Op 14 november 2006 werd hij veroordeeld tot een boete van 900.000 RWFR. Op 12 december liet men hem weten dat hij terug de gevangenis in moest als hij niet onmiddellijk betaalde. Op 20 december 2006 is hij het land ontvlucht met zijn vrouw en hun twee kinderen.

2. Doodsbedreigingen

  • N.E. en zijn familie komen uit de gemeente Kigembe in de prefectuur Butare. Wanneer zij in 2002 naar Rwanda waren teruggekeerd, vonden zij hun huis bezet door een soldaat, die R.B. heette. N.E. spande een proces tegen hem aan om zijn eigendom terug te krijgen. Toen hij zich op de dag van de uitspraak aanmeldde op het gerecht, deelde men hem mee dat de zaak verdaagd was. In de kortste tijd liet R.B. hem weten dat hij hem en gans zijn familie zou doden, als hij het land niet terug verliet. Daarop vluchtte N.E. met zijn vrouw en hun twee kinderen.
  • R. J-P. is met zijn vrouw en hun twee kinderen het land uitgevlucht op 15 december 2006. Ze komen uit de gemeente Muganza in de prefectuur Butare. Zij zijn gevlucht omdat een soldaat, G.F. genaamd, zich in hun huis had gevestigd. R. J-P. had wel het proces tegen die man gewonnen, maar deze laatste had het nieuws verspreid dat hij R. J-P. en zijn familie van kant zou maken. Daarop besloot hij te vluchten.
  • Wanneer M.P. en zijn familie in hun gemeente Mubuga (prefectuur Gikongoro) terug toekwamen in 2001, werden ze slecht ontvangen en de man werd onmiddellijk in de gevangenis gezet, omdat zijn broer lid van de Interahamwe zou zijn geweest. Omdat zijn huis door een soldaat bezet was, deed M.P. hem een proces aan, dat hij trouwens ook won. In plaats van het huis te verlaten, beschuldigde de soldaat M.P. er van zijn ouders te hebben gedood, en hij bedreigde hem met de dood. Op 18 december 2006 vluchtte M.P. naar Tanzania met zijn vrouw en drie kinderen.
  • H.S. is afkomstig uit de gemeente Muyaga in de prefectuur Butare. Toen hij in 2000 met zijn familie terug naar huis keerden, vonden ze hun huis bezet door een Tutsi die uit het buitenland was gekomen. Deze laatste verklaarde dat hij H.S. zou doden indien hij zijn proces om zijn huis te recupereren niet opgaf. Tot driemaal toe bereidde hij een aanslag voor op H.S., maar deze laatste werd telkens door buren verwittigd. Op 27 december 2006, verliet H.S. het land, met zijn vrouw en hun twee kinderen.
  • H.M. en twee andere families, alles bij elkaar 11 personen, zijn uit hun gemeente Ntambwe (prefectuur Gitarama) weggevlucht op 18 december 2006. De drie mannen waren in 2003 opgepakt en beschuldigd van deelname aan de volkerenmoord van 1994. Op 10 december 2006 werden zij vrijgelaten. Terug thuis gekomen op hun heuvel, hadden zij die hen beschuldigd hadden verklaard dat ze onterecht waren vrij gekomen en dat ze hen zouden doden.
  • N.R. had het land verlaten, samen met drie anderen. Ze komen allemaal uit de gemeente Birenga in de prefectuur Kibungo. N.R. was ervan beschuldigd geweest de nationale vlag te hebben gestolen. Hij was toen zo hard geslagen dat zijn rechterarm nooit meer goed was gekomen. Zij verklaarden dat ze gevlucht waren omdat de politie het nog steeds op hen had gemunt. Gedurende drie maanden hadden ze ondergedoken geleefd, maar ze waren tenslotte gevlucht op 20 januari 2007.
  • Een groep van 20 personen (van 5 verschillende families) had de gemeente Kivu (prefectuur Gikongoro) verlaten, toen een vriend Tutsi hen er van had verwittigd dat enkele Tutsi’s nachts vergaderden om hun uitschakeling voor te bereiden.

Dit is een keuze uit honderden gevallen van families die Rwanda om diezelfde reden verlieten tussen 2006 et 2007.

3. Beschuldigd van lidmaatschap van de Interahamwe

  • S. en zijn twee broers zijn afkomstig uit de gemeente Rwamiko, prefectuur Gikongoro. Hun ouders werden vermoord tijdens "de oorlog" van 1994. De drie jongelingen hadden onderkomen gezocht in Kongo. In 2002 waren ze terug gekomen naar Rwanda. Hun oudere broer werd in 2002 in de gevangenis gezet. Men verweet hen dat hun vader een Interahamwe was en dat hij Tutsi’s had vermoord. Hun aanklagers wilden hen in de gevangenis. Ze vluchten het land uit op 6 augustus 2006.
  • K.M. komt uit de gemeente Muko in de prefectuur Gikongoro. Vier andere jongelingen vergezellen hem. Gedurende 4 jaar zaten ze opgesloten in de centrale gevangenis van Gikongoro, op beschuldiging van deel te hebben uitgemaakt van de Interahamwe in 1994, alhoewel ze toen nog jonge kinderen waren. Met de medeplichtigheid van een politieman konden zij ontsnappen. Ze waren nog nooit voor een rechter verschenen. Ze zijn gevlucht op 30 juli 2006.
  • G. en M. zijn twee jonge mannen uit de gemeente Rukira in de prefectuur Kibungo. Men beschuldigde hen ervan samen te spannen met de vijanden buiten de grenzen. Zij leggen uit dat, in Rwanda, als met jong en hutu is, men geen enkel bezit mag hebben van enige waarde, op gevaar af beschuldigd te worden het te hebben ontvangen van de Interahamwe. Zij kozen ervoor het land te verlaten om niet te worden gedood. Ze verlieten het land op 2 februari 2007.

Veel families worden ervan beschuldigd een Interahamwe in hun midden te tellen of met de Interahamwe te hebben samengewerkt. Dat is een voldoende reden om de gevangenis in te gaan of om als staatsvijand te worden beschouwd. Alle families die in Tanzania toekwamen tussen 1998 et 2002 waren ervan beschuldigd Interahamwe te zijn. Praktisch alle mannen en jongelingen werden gearresteerd toen ze naar Rwanda terugkeerden.


4. Vrees te worden vergiftigd

  • M. Rose, uit de gemeente Ntongwe in de prefectuur Gitarama, is gevlucht met haar drie kinderen. Zij waren in 2003 naar Rwanda teruggekeerd en haar man was vergiftigd geweest. Hij was overleden op 27 augustus 2006 na het drinken van bier met gif. Daarop had men haar laten verstaan dat ook zij moest sterven, vermits haar man tijdens de volkerenmoord gemoord had. Op 30 september is zij dan het land uit gevlucht.
  • K. is afkomstig uit de gemeente Kigarama in de prefectuur Kibungo. Zijn oudere broer Felix werd vergiftigd en was gestorven op 17 januari 2007. K. werd op zijn beurt beschuldigd te hebben samengewerkt met de Interahamwe, alhoewel hij zegt dat het niet waar is. Uit vrees hetzelfde lot te ondergaan als zijn broer, vluchtte hij met zijn vrouw en hun twee kinderen, op 24 februari 2007.
  • M. is gevlucht met 5 anderen familieleden. Zij komen uit de gemeente Runyinya in de prefectuur Butare. Haar man zat in de gevangenis sinds 2005, op beschuldiging te hebben gedood tijdens de volkerenmoord. Op 27 december 2006 werd hij vrijgelaten, nadat hij vergiftigd was; drie dagen later stierf hij. De buren hielden echter niet op samen te spannen tegen haar familie en daarom besloot ze te vluchten.

Pater Broekx haalt nog verschillende gevallen aan. Hij stipt aan dat de vergiftigingen begonnen zijn tegen het einde van het jaar 2006, toen men veel gevangenen vrij liet om hen in handen te geven van de gacaca. Maar de buren wilden hen geen kans laten om het er levend van af te brengen. Daarom werden zij vergiftigd, ofwel juist voor hun vrijlating, ofwel juist er na. Dat is een van de redenen waarom het vluchten naar Tanzania nog altijd voortduurt.

5. Beschuldigingen, aangevoeld als onrechtvaardig, en druk om te bekennen wat men niet heeft gedaan

  • T. en zijn familie zijn afkomstig uit de gemeente Sake in de prefectuur Kibungo. Hij ontvluchtte het land omdat men voor het volkstribunaal gacaca valse getuigen opvoerde en men had getracht hem misdaden te doen toegeven waaraan hij zich niet schuldig had gemaakt. Zij verlieten het land in augustus 2005 langs Giteranyi in Burundi. Omdat zij vreesden uit Burundi te worden geweerd, waren zij doorgereisd naar Tanzania.
  • K.J. is een weduwe, die in het kamp toe kwam samen met haar dochter, die ook weduwe was. Zij kwamen uit de prefectuur Butare. Zij waren in 1996 naar Rwanda teruggekeerd, samen met hun mannen, die aangehouden werden in april 1997 en die allebei in 2004 waren gestorven in de gevangenis van Butare. Zij waren ervan beschuldigd geweest Tutsi’s te hebben vermoord tijdens de volkerenmoord van 1994. De oudste kleinzoon, die één jaar oud was in 1994, was ondertussen het gezinshoofd geworden. Eind 2005 vroeg men hem rekenschap voor de misdaden begaan door zijn vader en grootvader, beiden overleden in 2004. Om hem te redden besloten de twee vrouwen naar Burundi te vluchten, wat ze ook deden met Kerstmis 2005. Omwille van de voedselschaarste reisden ze door naar Tanzania.
  • H. et M. zijn twee jongelingen uit de gemeente Nyakizu (prefectuur Butare). In 2004 werden ze aangehouden en beschuldigd de wapens van hun vaders, die in het leger van president Habyarimana hadden gediend, te hebben verborgen. Zij hadden ontkend. In juni 2006 konden zij uit de gevangenis ontsnappen, met de hulp van een politieman, aan wie zij 60.000 RWFR hadden gegeven.
  • N.N. is gevlucht met zijn vrouw en drie kinderen. Zij zijn afkomstig uit de gemeente Kinyamakara in de prefectuur Gikongoro. Na zijn terugkeer uit ballingschap was hij in de gevangenis terecht gekomen. Hij werd vrijgelaten op 21 april 2006 om te kunnen verschijnen voor de gacaca. Daar werd hij beschuldigd van doodslag en men zette hem aan dat toe te geven. Omdat hij bleef ontkennen, werd hij op 13/07/2006 veroordeeld tot het betalen van 900.000 RWFR. Als hij niet betaalde moest hij terug de gevangenis in. Daarop besloot hij het land te verlaten.
  • R.T. is afkomstig uit de gemeente Ngenda in de Bugesera. In 2000 was hij met zijn vrouw en vier kinderen naar Rwanda teruggekomen. Hij werd onmiddellijk aangehouden op beschuldiging van deelname aan de volkerenmoord. Eind 2006 kwam hij vrij, maar zijn aanklagers kloegen hem terug aan voor de gacaca. Twee maal ging hij er naartoe, maar hij mocht er geen woord van verweer inbrengen. Integendeel, men zei hem dat hij terug de gevangenis in zou gaan als hij niet bekende. Toen besloot hij te vluchten, met vrouw en kinderen.

Veel burgers, die naar Rwanda waren teruggekeerd tussen 2000 en 2002, werden onmiddellijk na hun aankomst opgepakt en beschuldigd in 1994 te hebben meegedaan met de moorden of te hebben samengewerkt met de Interahamwe, alhoewel ze beweerden niets te hebben misdaan.


6. Bedreigd door hen die zich hun woning hadden toegeëigend

  • De familie K.P., afkomstig uit de gemeente Kigarama (prefectuur Kibungo), was in 2003 naar Rwanda teruggekeerd. Hun velden had men aan iemand anders toegewezen; hun woning was bezet door iemand die uit het buitenland was gekomen. Ze legden klacht neer bij het gerecht, maar de man werd gevangen gezet op beschuldiging van te hebben samengewerkt met de Interahamwe in 1994 en Tutsi’s te hebben gedood. Op 16/08/2006 was hij kunnen ontsnappen uit de centrale gevangenis van Kibungo en naar Tanzania gevlucht.
  • Toen de echtgenoot van B.S. overleed, gaf de overheid de familie-eigendom aan een Tutsi, die het huis afbrak. Haar broer, die haar veel gesteund had, werd gevangen gezet. Toen ze veel buren het land zag ontvluchten uit schrik, was zij ook vertrokken met haar twee kinderen. Dat was op 7 september 2006.
  • M.F. en zijn vrouw en hun drie kinderen zijn afkomstig uit de gemeente Sake in de prefectuur Kibungo. In 2002 waren zij naar Rwanda teruggekeerd, maar hun huis was bewoond door een Tutsi die uit Oeganda was gekomen en beweerde dat het zijn huis was. Op het proces werd hij door diezelfde man beschuldigd van samenwerking met de Interahamwe in 1994 (hoe kon hij dat weten?). Zonder de beslissing van het tribunaal af te wachten, beschuldigde die Tutsi familie hem voor de gacaca van moord. In november 2006 besloten zij te vluchten.
  • R.V., afkomstig uit de gemeente Sake in de prefectuur Gikongoro, was met zijn vrouw en hun drie kinderen in 2002 naar Rwanda teruggekomen. Hij vloog onmiddellijk de gevangenis in. Hun huis was bewoond door een Tutsi. Vrijgelaten in 2004, werd hij opnieuw aangehouden in 2005. Toen hij op 1 januari 2007 weer werd vrijgelaten, vluchtte hij het land uit, omdat de man die in zijn huis zat er mee dreigde hem opnieuw de doen opsluiten.
  • De familie N. en drie andere families zijn allemaal afkomstig uit de gemeente Ngenda in de streek van de Bugesera. Toen die families in 2002 naar Rwanda waren teruggekeerd, hadden zij vastgesteld dat een Tutsi, die uit Oeganda was gekomen en B.O. heette, zijn koeien liet grazen op hun akkers. Daaruit waren spanningen ontstaan. In 2004 werden de vier huisvaders opgepakt op beschuldiging van samenwerking met de Interahamwe ten tijde van de volkerenmoord. Zij wonnen hun proces en de ’bezetter’ moest hun akkers verlaten. Deze laatste begon dan allerlei leugens rond te strooien en slaagde er zo in hen weer te doen aanhouden. Tijdens een zandcorvee, toen de politieman die hen bewaakte een biertje was gaan drinken, ontsnapten zij. Daarop kwam de politie om hun vrouwen aan te houden als zij niet vertelden waar hun mannen waren. Zij wisten enkel dat ze in de gevangenis zaten. Omdat ze zich toen niet meer veilig voelden, waren ze op 12/01/2007 naar Tanzania gevlucht.

7. Beschuldigd van het voorbereiden van een aanval op hun land

  • N.G. komt uit de gemeente Birenga in de prefectuur Kibungo. Hij vertelt dat hij gevlucht was omdat men in zijn streek begonnen was mannen die nog jong waren lastig te vallen met hen te beschuldigen dat ze voorbereidingen aan het treffen waren om het land aan te vallen met vijanden van buiten de grenzen [5]. Die aantijging was maar een voorwensel, zeiden zij, om Hutu’s te kunnen doden. In oktober 2006 vertrok hij met zijn vrouw en twee kinderen
  • K.S. was gevlucht met zijn vrouw en twee kinderen. Zij komen uit de gemeente Nyamure in de prefectuur Butare. In hun streek was men begonnen mannen, die nog jong waren, aan te houden en hen te beschuldigen dat er in hun rangen mannen waren die een aanval op het land beraamden in overleg met vijanden van buiten de grenzen. Iedere keer dat ze iemand meenamen, kwam die niet meer terug. Toen K.S. dat bemerkte, was hij er van door gegaan. Hij is 37.
  • R.F., uit de gemeente Kabarondo in de prefectuur Kibungo, is gevlucht met zijn vrouw en hun vijf kinderen. In 1996 was hij naar Rwanda teruggekeerd en was toen beschuldigd van samenwerking met de Interahamwe en van moord op Tutsi’s. In 2006 begon men hem er van te beschuldigen dat hij behoorde tot diegenen die geen vrede wilden en dat hij deelnam aan geheime vergaderingen waar men plannen smeedden om Rwanda aan te vallen. Hij zelf zegt, dat hij zelfs nooit over zulke vergaderingen had horen spreken. In september 2006 was hij het land ontvlucht.
  • R.F. komt uit de gemeente Nyamabuye in de prefectuur Gitarama. Toen hij naar Rwanda was teruggekeerd, had men hem ervan beschuldigd een Interahamwe te zijn geweest en hij was aangehouden. Hij was vrijgelaten in de periode dat degenen die naar Kongo gevlucht waren massaal terug naar Rwanda waren gekomen. Twee jaar later begon men te zeggen dat degenen die Interahamwe waren geweest eigenlijk wel de voor de hand liggende personen waren om een aanval op het land voor te bereiden, en dat men ze dus best zou aanhouden. Daarop was R.F. het land ontvlucht met zijn vrouw en hun drie kinderen, want, als de man weg was, werden de vrouwen aangehouden. Zij verlieten Rwanda in oktober 2006.
  • R. is afkomstig uit de gemeente Birenga in de prefectuur Kibungo. Hij zei dat hij opnieuw was gevlucht, met vrouw en kind, omdat men hem ervan beschuldigde rapporten en wapens te verbergen, die uit Oeganda waren gekomen in voorbereiding van een aanval tegen Rwanda. Tot tweemaal toe waren politiemannen zijn huis komen doorzoeken, maar ze hadden niets gevonden. Toen hij werd opgeroepen om voor de gacaca te verschijnen, had hij er de voorkeur aan gegeven te vluchten, want, zo zei hij, "op de gacaca beschuldigt men u van ’t is eender wat". Hij kwam in het kamp in Tanzania toe op 16/01/2007.

Pater Broekx besluit zo zijn document: "Ik heb u enkele voorbeelden aangehaald van iedere categorie (waarvan de opsteller van Breuklijnen het aantal nog verminderd heeft), maar ik beschik over nog veel andere gevallen, vermits ik meer dan duizend gevallen heb opgetekend sinds 2004. Al die gevallen bewijzen dat er geen gerechtigheid is in Rwanda en dat ’t is eender wie op ’t is eender welk moment van ’t is eender wat kan worden beschuldigd."


Tot besluit…

Pater Broekx spreekt zich niet uit over de schuld of de onschuld van de centrale figuren van zijn voorbeelden (op enkele uitzonderingen na, bij voorbeeld als die centrale figuur nog een klein kind was in 1994). Zijn bedoeling ligt elders.

Hij heeft vragen bij de overdreven verbreding van de notie van verantwoordelijkheid in criminele zaken: kan men zo maar de vrouw en de kinderen verantwoordelijk stellen voor hetgeen haar man of hun vader heeft gedaan of wordt verondersteld te hebben gedaan? Hij stelt de misbruiken van de volkstribunalen gacaca aan de kaak. Het overgrote deel van de aangehaalde gevallen betreft mannen of jongelingen die reeds meerdere maanden of jaren gevangenisstraf hadden uitgezeten (de meesten trouwens zonder dat er een dossier op hun naam was aangelegd) en die, wanneer ze werden "vrij" gelaten, werden overgeleverd aan de gacaca, waar, volgens talrijke getuigenissen, niet alleen van pater Broekx maar ook volgens andere bronnen, de valse getuigenissen dagelijkse kost zijn en het recht op verdediging onbestaand.

Dank zij de getuigenissen verzameld door pater Broekx komt men tot een onweerlegbare vaststelling: één van de doelstellingen van de volkstribunalen gacaca – naast natuurlijk het bewijzen van de gepleegde misdaden en het straffen van de schuldigen – was de verzoening van het Rwandese volk na de door het RPF veroorzaakte oorlog en de verschrikkelijk volkerenmoord van 1994. De getuigenissen van de vluchtelingen die pater Broekx ondervroeg en de getuigenissen die ons bereiken van mensen ter plaatse in Rwanda (die weten hoe de gacaca-processen verlopen en die het heersende klimaat van schrik en verdenking goed aanvoelen) bewijzen dat de gacaca-processen verdeling zaaien in plaats van eensgezindheid, en haat in plaats van een begin van vergeving.

Dat belet niet dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken verklaart, in een antwoord aan pater Broekx, dat zij, ondanks een aantal ontsporingen van die volkstribunalen, blijven geloven dat de gacaca-processen op lange termijn kunnen bijdragen tot een verzoening tussen de Rwandezen onderling, alsook tot een verzoening van de Rwandezen met hun recente verleden. Men tracht natuurlijk de miljoenen euro te rechtvaardigen die België heeft gespendeerd om de oprichting en de werking van de gacaca-processen mogelijk te maken, maar er bestaan grenzen die niet mogen overschreden worden, vooral als men zich beroept op een universele rechtsbevoegdheid in zake schendingen van de mensenrechten.

In 1994 kwam de internationale gemeenschap, en België in het bijzonder, haar verplichting niet na tegenover een land "in doodsgevaar". Tegenwoordig zijn beiden eens te meer getuigen van zware schendingen van de mensenrechten en zij kijken de andere kant op.


Compilateur responsable: Jef Vleugels, rue Charles Degroux 118 – B-1040 Bruxelles

[1Wij behouden de oude administratieve benamingen, zoals de vluchtelingen die nog gebruikten bij het vertellen van hun verhaal.

[2Wij weerhouden telkens slechts enkele gevallen van de lange reeksen getuigenissen van pater Broekx.

[3De juiste identiteit van de vermeldde personen is gekend door pater Broekx.

[4Op dat ogenblik was 1 euro ongeveer 800 Rwandese frank waard. 1,5 miljoen = 1875 euro.

[5Zij zeiden "met Kanyarengwe"; anderen zeiden "met Kigeri".


Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 855 / 1059131

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen België  De activiteit van de site opvolgen R+V   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.28 + AHUNTSIC

Creative Commons License