missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be
Dialoog

Een “broederschap” tussen verschillende geloofstradities

donderdag 3 december 2015 door D.F. (Vertaling), Webmaster
Pater Jean Fisset is afkomstig uit Normandië. Vandaag verblijft hij te Bry-sur-Marne als “geïmmigreerde” na meer dan een halve eeuw in Algerije te hebben geleefd. Hij werpt een blik op de mogelijkheden van een “broederschap” tussen verschillende geloofstradities.

Van deze lange indompeling in de schoot van de islam, onthoud ik meer in het bijzonder vier punten die me essentieel lijken voor de instelling van een echte Abrahamitische broederschap tussen onze respectievelijke tradities.

- 1° Het geloof behoort tot wat het meest innerlijk is in de persoon, namelijk zijn geweten, daar waar God spreekt tot het hart.
Niemand heeft het recht daarop enige druk of dwang uit te oefenen, of deze individueel of collectief zij. “God heeft het risico genomen van onze vrijheid”, heeft men geschreven, en ik respecteer dat. De kwestie verwijst ongetwijfeld naar de princiepen en de wetten, maar meer nog naar de collectieve gevoeligheden.

Mijn geloof in de werkende aanwezigheid van de Geest van God in het hart van elk menselijk wezen, geschapen “naar zijn beeld en gelijkenis”, is erdoor ruim ontwikkeld en uitgediept. Het heeft heel mijn vroegere inzet verlicht ; het is zelfs bepalend geworden in de ontmoeting met andere gedachte-uitdrukkingen. Het Tweede Vaticaans Concilie en de leerdocumenten van de pausen die zijn gevolgd hebben een nieuwe kijk opgewekt op de theologie van de godsdiensten, de geestelijke betekenis van de ontmoeting en de evangelische dimensie van alles wat bijdraagt om een “beschaving van de liefde” op te richten. “Ik geloof in de revolutionaire kracht van de broederlijke liefde” heeft Kardinaal Duval verkondigd in de tragische jaren die Algerije heeft gekend.

- 2° Het geloof als leer zou niet hegemoniaal mogen zijn,
’t is te zeggen : prat gaan op een recht, op een superioriteit die de anderen niet zouden hebben. De Waarheid behoort niet aan de gelovige ; deze ontvangt haar volgens zijn eigen en beperkte mogelijkheden. De Imam Ali, schoonzoon van de profeet van de islam, heeft zich in die zin uitgesproken, evenals één van de grote meesters van de moslim mystiek Junayd : “Het water heeft de kleur van het recipiënt dat het inhoudt”. Ongelukkig genoeg lopen onze dialogen het risico, ondanks de goede bedoelingen, af te dwalen in een hoger opbod van onwetenden, zoals men dat gezegd heeft in verband met de “schok van de beschavingen : onwetenden van de andere tradities en, dikwijls zelfs, van zijn eigen traditie.

- 3° De valstrik van het religieuze
Het gaat hier over een meer subtiel gezichtspunt, maar dat niet minder belangrijk is : wij zijn blootgesteld, als gelovigen, aan wat een hedendaagse katholieke denker niet gevreesd heeft de valstrik van het religieuze te noemen. Ik heb Evangelische vrienden ontmoet met wie men niet kon spreken zonder bijna meteen gebracht te worden tot een religieuze kwestie, alsof het concrete van het leven geen enkel belang had. Maar, laten we toegeven, er is ook bij ons een tijd geweest, niet noodzakelijk ver geleden, toen men de zending van de Kerk herleidde tot een catechumenaal engagement, of tot een nauwkeurige opsomming van statistieken.

Dat is overigens wat ik heb kunnen vaststellen in de spontane manier de anderen te zien bij talrijke moslims aan hun geloof gehecht. Zo, ben ik niet verrast geweest enkelen van mijn vrienden te zien, met een naïeve zowel als oprechte, soms zelfs aangrijpende bedoeling, me voor te stellen voor de islam te kiezen, om samen met hen naar het “Paradijs” te gaan.

Dergelijke uitwisselingen geven me te denken dat het tijd zou worden ons religieus vocabularium te bezweren, vooral wat betreft de interconfessionele relaties, om dit te bevrijden van afwijkende betekenissen waarmee de historische context het heeft belast in de loop van de eeuwen. Maar het is hier niet de plaats om dit verder te behandelen.

In het licht van deze feiten, heb ik beter begrepen dat het geloof niet essentieel uit religieuze kennissen bestaat, (“Ook de boze geesten kennen zelf de dingen van God” Jac. 2, 19), maar, vóór alles, in een kwaliteit van zijn en van handelen tegenover personen en dingen, wat al de domeinen van het leven omsluit. Mijn vreugde is dan groot geweest vast te stellen dat een moslim filosoof (Ibn Tufayl) dat duidelijk heeft uitgedrukt : “Wat van belang is, is niet wat de gelovige zegt van zijn geloof, maar wat zijn geloof van hem maakt”.

Katholieke christenen, laten we het feit waarderen dat het document “Gaudium et spes” van het Tweede Vaticaans Concilie, ook daar, de dingen in perspectief geplaatst heeft met de moderniteit. In elk geval, is het ontegensprekelijk dat de postconciliaire theologische overweging gelukkig de evangelische betekenis weer in het licht heeft gesteld van de dienst, bestempeld als profaan, bewezen aan de naaste, zoals hogerop werd opgeroepen. Paus Franciscus voegt daar zijn persoonlijk voorbeeld aan toe op een manier die iedereen aanspreekt. Zo ook, heeft men in Algerije in tragische uren ontroerende woorden kunnen horen als : “Zuster, het belangrijke is niet wat ge doet, maar dat ge daar bent”… “Zolang ge daar bent, blijven we hoopvol” of nog “We willen u onze vriendschap betonen, onze broederlijkheid in dit drama dat ons allen raakt. Voor ons en voor altijd, vergeet nooit dat jullie broeders zijn. En dan, laten we het zeggen, we houden van u en dat gaat niemand aan…” (Geciteerd door Mgr. Teissier, in ”Christenen in Algerije, een samen delen van hoop”. DDB 2002, 2003 p. 32)

- 4° IJsvorming van de religieuze gedachte en ontijdelijke letterlijkheid

Als ik zeer ruim heb kunnen verbroederen met mijn broeders en zusters van de islam zelfs tot me in spirituele innerlijke verbondenheid (‘communio’) te bevinden met hen, moet ik vaststellen dat er zich in de moslim gemeenschap een oriëntatie heeft voorgedaan die ik me niet kon voorstellen, een evolutie die een grote omvang heeft aangenomen en die een innerlijke crisis in het daglicht heeft gesteld, die reeds oud was. Verscheidene internationale politieke gebeurtenissen hebben daar ruimschoots toe bijgedragen, dat is onbetwistbaar ; maar helderziende gelovigen merken dat dit niet alles uitlegt. Zij stellen tegelijkertijd een ijsvorming vast van de religieuze gedachte die deze heeft opgesloten, tot onze dagen toe, in een ontijdelijke letterlijkheid.

Men heeft het recht zich hierover te verwonderen en het te betreuren wanneer men de groep van moslim geleerden en filosofen beschouwt die aangetrokken werden, tussen andere centra van wetenschappelijke uitstraling, door het “Huis van de Wijsheid” in Bagdad, tot de 11de -12de eeuw. (Dat was de gouden tijd van de Arabische wetenschap, al te zeer miskend in het Westen ; men kan niet nalaten van ten minste de namen op te roepen van Avicenna en van Averroès). Rond dit tijdperk, om het geloof te beschutten tegen de invloed van vreemde volkeren of tegen vernieuwingen die het risico liepen voort te vloeien uit de botsingen van scholen, waren de Ulema’s van oordeel de poort van de interpretatie te moeten sluiten. En het is een feit dat deze, praktisch, sindsdien gesloten is gebleven.

Welnu, een op punt stellen blijkt onmisbaar om de boodschap en de lezing ervan in het licht van de wetenschappelijke vooruitgangen en van de evolutie van de wereld te actualiseren. Het is eveneens belangrijk het te onderstrepen : het is een religieuze verplichting gedaan aan de gemeenschap : hoe heeft men kunnen aanvaarden dat zij bijna dode letter is gebleven ? Al te zeldzame en spijtig genoeg geïsoleerde stemmen zijn de laatste tijden naar boven gekomen om een “radicale hervorming” op te eisen (Târiq Ramadân) of een “herlezing van de stichtende teksten” (De nieuwe denkers), maar, voor zover ik weet, heeft dat nog geen enkele collectieve weerklank opgeroepen noch enig ontwerp van project, buiten enkele gelegenheidsverklaringen. Onder deze voorwaarden, is het risico groot van een praktijk gemummificeerd door de routine, (waarin men, het moet opnieuw gezegd worden, een bewonderenswaardige godsvrucht kan vaststellen), maar des meer manipuleerbaar omdat zij geen kaders heeft die intellectueel gevormd zijn. Men heeft sinds enkele tijd het belang onderstreept van “de vorming van de vormers”. Dat lijkt nog meer onmisbaar met het recente verschijnsel van het “jihadisme”, het aanwerven en inlijven van de jongeren of het radicale indoctrineren in de gevangenissen. Hoe dit niet betreuren als men de oprechtheid en het edelmoedig geloof beschouwt van zoveel gewone gelovigen rondom ons ? Anderzijds, is het evident dat alleen de gelovigen van de islam bevoegd verklaard zijn om op dit vlak te handelen, en dat wij als christenen er niets of toch heel weinig kunnen toe bijdragen, hoogstens een broederlijke steun, of elementen van verworven ervaring, maar altijd met een grote bescheidenheid om de eenvoudige gewetens niet te kwetsen of lichtgeraaktheden te verergeren.

Het is deze onmachtige broederlijkheid die me het meest heeft getroffen, deze laatste tientallen jaren en tot nu toe, wetende dat dit onmisbaar aggiornamento een voorwaarde is opdat onze inspanningen van dialoog en humanistische samenwerking al hun vruchten zouden kunnen voortbrengen, ten voordele van allen.

Zo zijnde, moet ik mijn verwondering bekennen bij het vaststellen dat het geheel van de eerlijke moslims die ik ontmoet het aanzienlijk nadeel, materieel en moreel, niet lijkt te meten dat een extremisme, dat hun geloof ontaardt, meebrengt voor hun religieuze gemeenschap in de mondiale openbare opinie. Deze is inderdaad niet in staat te onderscheiden “wie wie is” en “wie wat doet”, terwijl de media op de voorpagina het hebben over de terroristische aanslagen die gepleegd worden in naam van een afgedwaalde, sektarische en gewelddadige islam. De moslim gemeenschap is de eerste hieronder te lijden ; dat, zo lijkt me, zou de oprechte gelovigen niet onverschillig kunnen laten.

Aan deze onbewustheid, die wellicht onschuldig is, voegt zich nog een andere, meer subtiele en delicater om op te roepen - ik loop het risico de welwillendheid van mijn oprechtheid te bevlekken -. Dat is het geval, onder meer, wanneer ik soms hoor zeggen : “Dat, dat is de islam niet ; dat gaat ons niet aan”. Anders gezegd : “Dat is mijn islam niet, dat is de zuivere islam niet, dan was ik mijn handen in onschuld”. Maar, als het zo zit, naar wie moet men zich dan verwijzen ? Wie kan zeggen waar de authentieke islam is tussen al de stromingen en de gevoeligheden die er zich in uitdrukken ? Zo heeft de antropoloog Dounia Bouzar een boek kunnen schrijven met als titel “Mijnheer islam bestaat niet”. Wie kan zich inderdaad het recht toe-eigenen zijn broeder te kwalificeren of te diskwalificeren ? En dan, is het niet uiteindelijk de logica van het manicheïsme aannemen van de extremisten zelf tegenover degenen die hun ideeën niet aanvaarden ? Zij zijn de waren ; de anderen zijn ongelovigen (Taghût).

Dergelijke uitspraken roepen bij mij pijnlijke herinneringen op. Ik kan de hysterische afdrijvingen en de criminele tirannie niet vergeten van de jaren toen de FIS (Islamitisch Front van het Heil) een eigen huis had in Algerije, om er een islamitische Regering (Dawla islâmiya) in te stellen, na de wettelijkheid van de stembussen te hebben verkregen. Dat was dus de islam niet die milities van jongeren in gesloten rangen die in de straten defileerden en de Koran zwaaiden, of die menigte die religieuze slogans uitriep op de hoogte van Algiers bij het zien van beweerde tekenen in de hemel ? Men heeft toch het recht te weten wie hen dat gewelddadig sektarisme heeft ingeprent ? Ik hoor nog de vlammende preken, uitgezonden door de luidsprekers van sommige moskeeën, die de democratie vervloekten. Hetzelfde in de pers. Van wie kregen die zogenaamde imams en predikanten hun gezag? Dat is wel degelijk het bewijs dat een verduidelijking zich opdringt, op de allereerste plaats, de scheiding van het politieke en het religieuze. Maar welke instantie komt in aanmerking om het religieuze te vertegenwoordigen ? Is het princiep zelf van een vertegenwoordigend en regelend gezag te overwegen ? Zo ja, volgens welke modaliteiten ? Even zoveel vragen waaraan het mij niet toekomt deze te beantwoorden. [1]

Ik zou ervan zeker willen zijn dat vandaag verschillende gebieden, onder andere Algerije waaraan ik diep verbonden blijf, erin geslaagd zijn zich te bevrijden van deze hersenschimmen waarvan men ziet tot welke afdwalingen zij uitlopen. Dan komt er me één vraag voor de geest : als de promotoren van “de islam van de lichten” deze taak niet opnemen, wie moet er zich dan mee gelasten ? Men vat moeilijk op dat het vreemden aan hun geloof zouden zijn, of dat een burgerlijk gezag deze kwesties van religieuze orde zou moeten uitmaken. In elk geval zal daarvoor tijd nodig zijn, veel moed, competentie en volharding. Een reden temeer, dan, om een dergelijke onderneming niet tot later uit te stellen.

Ik draag in mijn gebed deze verborgen beproeving, gedeeld met anderen, inbegrepen met een moslim geloof, lijdend me zonder greep te voelen op een situatie die in het geheel van de wereld zoveel onbegrip, misverstanden, en helaas ook drama’s met zich meebrengt. Ik vind me gevierendeeld tussen, enerzijds, de urgentie van een actieve bewustwording, en anderzijds, het eeuwenlange van de “Heer, Meester van de werelden”. Ook, soms, komt me voor de geest, met enig spijt, dat geef ik toe, de vaststelling van de Tunesische dichter Abu El-Kacem Chabbi : “De tijd wacht niet op de slapers”. [2]

We kunnen erin overeenkomen : “God is geleerder !” الله أعلم Maar zou dat het laatste woord zijn, als wij werkelijk opnieuw de poort willen openen… van de hoop ?

“ Arbeiders van de vrede, de oogst wacht op u.
Om de wereld te verzoenen, neemt dan alleen de liefde mee.
Aan degenen die u ontvangen, zoals aan degenen die u verjagen, meldt het nieuws :
Het Rijk van God is daar, heel dicht bij u
.
((Liturgisch gezang, T 13-92))
 

[1Sinds de redactie van deze lijnen, hebben moslim personaliteiten, van wie men de competentie niet kan ontkennen, de gelegenheid gehad zich uit te drukken over dit onderwerp dat een herleving van actualiteit kent, vandaag, zoals MM. Ghâleb Ben Cheikh, Malek Chebel, Mohammed Talbi en Mohammed Arkoun zelf. Zij nemen elke scrupule van me weg een betwistbare subjectieve opinie te hebben uitgebracht. Zo aarzelt de eerst geciteerde niet een “herfundering van de theologische gedachte van de islam” aan te prijzen.

[2Het is hoog tijd dat de stilzwijgende meerderheid van de islam haar deel van het werk opneemt dat voortaan urgent is, vooraleer het te laat is”. (Marwane Ben Yahmed, in Jeune Afrique nr. 2699, jaar 2012, p. 3).


Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 102 / 646747

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen België  De activiteit van de site opvolgen Dialoog   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.26 + AHUNTSIC

Creative Commons License