missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be
GELOVEN, GISTEREN EN VANDAAG

18 - Hoopvol bevestig ik : Amen!

Voortgezette (theologische) vorming...
vrijdag 28 december 2007 door F. Lambert, M. Neels

We zijn aan het einde gekomen van onze beschouwingen over het ‘Symbolum van de Apostelen’ – dat echter niet van de apostelen komt.

            “En 1438, les évêques occidentaux se retrouvent à Ferrara avec leurs collègues orientaux pour tenir un nouveau concile. Pour eux, il ne fait aucun doute que le credo, tel qu’ils le récitent, est l’œuvre des douze Apôtres eux-mêmes : ces derniers, prenant tour à tour la parole sous l’inspiration de l’Esprit saint qu’ils venaient de recevoir, ont formulé, chacun pour sa part, l’un des douze articles qui le composent. D’où, justement, son nom de Symbole des Apôtres. Mais quelle n’est pas leur surprise de constater que telle n’est pas la conception que leurs collègues orientaux se font des origines du credo. Ce qu’ils croient être un authentique récit historique n’est en fait qu’une légende, dont la forme la plus ancienne est rapportée à Rufin, auteur latin qui écrivait à la fin du IVe siècle. Une telle méconnaissance des origines de la tradition chrétienne par ceux-là qui en sont les garants peut aujourd’hui faire sourire. Notre intelligence de l’histoire du christianisme originel est autrement instruite que la leur. Grâce aux travaux des exégètes et des historiens, nos connaissances ont considérablement augmenté et se sont précisées » [1].

1. Traditie.

Het Credo is de vrucht van een traditie van overlevering van het geloofsgegeven. Het is echter van groot belang de term “traditie” goed te verstaan. Vaak geeft men in kerkelijke kringen de indruk dat het gaat over een doorgeven van dingen die reeds van het begin zo waren zoals we ze nu interpreteren. Zo’n opvatting van de Traditie heeft de tendens alles wat later werd ontwikkeld in de schoenen te schuiven van het begin. En zelfs als men dan een ontwikkeling in de dogmatiek aanvaardt, stelt men dat die ontwikkeling slechts over de formulering gaat maar niet over de grond van de zaak. “L’histoire se réduit alors à une explication progressive d’un contenu entièrement donné à l’origine, explication conçue comme un épanouissement continu… » [2].

Het Credo is echter geen stenen monument waarop eens en voor altijd het geloof gebeiteld staat, te nemen of te laten zoals het er staat, maar eerder een vlag die aanduidt waar wij christenen ons in vinden en in welke traditie we leven. Het is een tijdgebonden formulering van de voornaamste aspecten van het Goddelijk Mysterie en van de Jezuservaring, die voor ons christenen centraal staan, maar die wel uitgedrukt zijn in concepten geïnspireerd door de filosofie en cultuur van een bepaalde tijd en plaats. Vandaar dat wij, die in een andere tijd en cultuur leven, de nood voelen aan een andere interpretatie van dezelfde centrale gegevens.

Maar, zal men zeggen, waar blijft de Openbaring dan? Die is toch eens en voor altijd door God gegeven, in de Schrift vastgelegd, en dan door de eeuwen doorgegeven en vastgelegd in het “depositum fidei” – een beetje zoals je een schat in de bank deponeert? Daar torn je niet aan!

2. Openbaring.

Hier raken we inderdaad de zenuw die bij verschillende lezers van onze bijdragen over het Credo pijnlijk werd geraakt en bijtijds afwerende reacties opriep. Hoe wordt de Openbaring hier gezien? Kunnen we die zo maar interpreteren zoals we zin hebben?

            “Un chrétien peut-il sérieusement pratiquer le libre examen alors même que sa foi repose sur une vérité ‘révélée’, c’est à dire extérieure à lui ?
Si la Révélation est un dépôt figé auquel on ne peut rien ajouter, rien retrancher, alors oui, je mesure la difficulté… La Tradition n’est alors qu’une répétition et la nouveauté une menace pour la ‘pureté’ doctrinale. Mais quelle pauvre conception de la Révélation que celle-là, quelle mutilation. Comme si Dieu ne continuait pas à se révéler. Comme si on pouvait ‘arrêter’ la Révélation. Comme si elle ne se frottait pas à l’histoire, à la culture. Comme si elle n’avait pas à devenir ‘mienne’ et donc se poursuivre en chaque conscience jusqu’à la fin des temps !
… L’affirmation dogmatique est toujours provisoire, le dogme est marqué par un temps, par une culture, par un contexte, par un mode de pensée et, souvent, par un combat. J’ajoute – c’est important – que la formulation dogmatique est supposée dire le consensus d’un moment. Non par la lecture d’une hiérarchie ‘inspirée’, mais par la perception large de tout un peuple, la conviction d’une communauté. Le dogme est un coup de projecteur, un gros plan dont il ne faut surtout pas abuser. Il est une référence, une ‘mémoire vivante’ qui ne supprime pas l’intelligence, le discernement critique, l’autonomie du jugement…
Ainsi le dogme n’exclut pas l’interprétation personnelle. Les raisons de l’Eglise doivent devenir – ou non – mes raisons. La vérité doit faire ses preuves à travers le feu du débat intérieur et c’est bien la conscience qui, en ultime instance, décide d’un refus ou d’une adhésion. Même saint Thomas l’a souligné. Et on garde en mémoire la célèbre formule du cardinal Newman : ‘La conscience est le tout premier vicaire du Christ.’ [3]

Vaak stelt men De Openbaring voor als een specifiek, gratis ingrijpen van God, van boven af, vanuit zijn eigen plek als het ware, en dit door bepaalde, uitverkoren mensen in te geven (‘inspiratie’) wat ‘de waarheid’ over Hem en de wereld en het menselijk leven is. Volks uitgedrukt : zoals een duiveltje in ons oor slechte gedachten fluisterde (zo vertelden onze ouders het toch?), zo fluisterde God in het brein van sommige mensen wat Hij precies over de dingen dacht. En die schreven het dan op, voor allen en alle tijden.

In een wereldvisie zonder verdiepingen (natuur en bovennatuur) wordt ‘openbaring’ opgevat als een bewustwordingsproces bij mensen van de religieuze dimensie van het menselijk bestaan en een poging om die uit te drukken – onvermijdelijk in concepten en termen van de concrete context van diegenen die het trachten te begrijpen. Hoe generaties van mensen – het joodse volk in dit geval – hun geschiedenis in termen van hun relatie met het transcendente hebben geïnterpreteerd, werd doorgegeven en eventueel neergeschreven. De Boeken (Biblia) werden een inspiratiebron voor volgende generaties om de religieuze interpretatie van hun bestaan levend te houden en telkens weer op nieuwe toestanden toe te passen – iets wat geleidelijk meer en meer door Schriftgeleerden werd gedaan, wat ons al op onze hoede doet zijn. En ieder beroep op deze Schriften werd een “En God sprak” – zoals het in onze liturgie nog steeds klinkt : “Dit is het woord van God”. Maar God spreekt niet; God is een eeuwige stilte. Wat we ons van het transcendente inbeelden, in woorden zetten en met elkaar delen, wordt voor ons een ‘openbaring’ van de diepere dimensie van ons bestaan. Nico ter Linden, een zeer gelovige protestantse dominee, heeft daarover een prachtige bladzijde :

            Toen zei God… Wie zegt dat, dat God iets zei? Wat moeten we ons bij dit ‘spreken Gods’ voorstellen? Het kan toch alleen maar ‘bij wijze van spreken’ zijn dat God spreekt?
Ik zou mijn eerste bijbelles geven in de Openbare Basisschool. ‘En God zei…’, zei ik, maar wat God zei kreeg ik er niet meer uit, want er ging meteen een vinger van een kleine heiden omhoog: ‘Zegt God nog wel eens wat’ ?
De jongen is nooit meer uit mijn gedachten geweest. Want wat een prachtige vraag ! Hij wilde graag weten wat voor soort verhalen ik ging vertellen. Hij had in de polder namelijk geen ervaring met een sprekende God. Die meneer voor de klas soms wel ? Hoe moest dat jongetje zich zo’n sprekende God voorstellen ? Of kon het zijn dat God vroeger wel sprak, maar ermee was opgehouden ? Of zou het allemaal fantasie zijn ?
Ik weet niet meer welk antwoord ik destijds gegeven heb. Nu zou ik dit zeggen : ‘Natuurlijk is het fantasie, mijn beste jongen. Fantasie van Israël over God. Niemand heeft God ooit gezien, noch met Hem gesproken… Over God valt slechts te fantaseren. Op het scherm dat tussen hemel en aarde hangt, projecteren wij onze beelden van God, onze denkbeelden over God : Moeder, Vader, Schepper, Voleinder, Arend, Koning, Rechter, Herder. Allemaal beelden uit onze werkelijkheid, want waar zouden we ze anders vandaan moeten halen ?’
Is God dan slechts de vrucht van onze projecties ? Moet je niet in plaats van ‘God schiep de mens’ zeggen dat de mens God schiep ? Wie garandeert ons dat die projecties van ons ergens op slaan ? Misschien is er slechts leegte aan gene zijde…
Dat zou kunnen. Maar het zou ook kunnen dat God die boven het dak van ons denken woont, de God is die ons tot projecterende wezens heeft geschapen. Alle woorden over boven zijn van beneden, dat kan nu eenmaal niet anders. In Israëls beleving kunnen de mensenkinderen op aarde bij tijd en wijle een glimp van de hemel opvangen, en van deze Godervaringen hebben zij verhalen gemaakt. Uiteraard is God gans anders dan ze zich hem fantaseren. Niettemin vertrouwen zij er in alle vrijmoedigheid op dat eens, wanneer zij aan de andere kant van het gordijn zullen zien van aangezicht tot aangezicht, zal blijken dat zij met die gedachten en dromen en fantasieën warm waren” [4].

Het ging er niet anders aan toe bij de leerlingen van Jezus en de eerste generaties christenen:

            “Les évangiles nous ont conservé quelques échos de ce que, près de Jésus, les disciples ont vu, entendu et compris, de ce qu’ils ont vécu, pensé et élaboré au long de leurs activités apostoliques, au contact de leurs auditoires, en communion avec les Eglises qu’ils fondèrent. C’est cela même (– cette expérience interprétée –, NdlR) qui est l’objet proprement dit de la révélation chrétienne telle qu’elle est conçue dans les Eglises. Celle-ci, toute revêtue du caractère transcendant que les communautés naissantes ont rapidement reconnu à Jésus, est devenu un dépôt sacré qui fut très vite systématiquement limité à ce que les apôtres avaient personnellement enseigné ; sacralisation et limitation qui, bien que quelque peu contournées par les développements de cet enseignement qu’on s’est permis à travers les siècles, ne va pas sans graves conséquences.
Non seulement cette révélation, identifiée à un texte conservé dans sa lettre, va à l’encontre de l’universalité à laquelle prétend le christianisme par ailleurs affronté à l’extrême diversité des êtres, mais aussi elle pèse sur la vie même des Eglises. Celles-ci, par la lourdeur de leurs structures qui se veulent divines sans aucune réserve, par leur préoccupation exclusive de conserver le message, se trouvent toujours trop en retard, et de plus en plus, sur l’évolution des esprits, sur la compréhension des besoins et des aspirations des hommes du temps, pour qu’ils accueillent le christianisme au niveau où il peut être chez eux ferment, et appel. C’est ainsi que la foi est encore confondue trop souvent avec l’adhésion sans réserves à des vérités considérées comme universelles jusque dans leur expression malgré les contingences de leur gestation et de leur enseignement, tandis que la fidélité est trop généralement réduite à l’obéissance à ce que la révélation, regardée seulement comme une loi nouvelle générale et définitive, a édicté dans le domaine des comportements, et ce dans des conditions de vie tout autres » [5].

Zoals het Joodse volk – en gelijk welk ander volk – hun intuïties van de goddelijke dimensie van het bestaan gestalte hebben gegeven, zoals de beluisteraars van het verhaal van en over Jezus, er ook het hunne hebben moeten van maken, zo moeten zoekende mensen van vandaag – zowel binnen als buiten de Kerken – dat noodzakelijkerwijze ook doen. Ze moeten wat daar verteld wordt aftasten en zien welk appèl dat inhoudt voor hun leven vandaag, in de huidige tijd en cultuur. Als ze verlangen te geloven IN God en IN Jezus, volstaat het niet dat ze gewoon klakkeloos beamen WAT er over hen werd gezegd en geschreven, noch HOE dat werd voorgesteld. Het geloof blijft altijd een persoonlijke stap, ook in en voor een gelovige gemeenschap. Om die stap te kunnen zetten moeten ze wel op een voor hen relevante manier iets kunnen zeggen over het ‘wat’ en ‘hoe’.

En dat gaat niet zonder vallen en opstaan. Het is en blijft een zoeken. Marcel Légaut zegt nog heel relevant :

            “Sans doute le mouvement de foi est déjà insensiblement amorcé dans l’adhésion aux croyances sur Dieu quand on reconnaît à ces croyances quelque caractère absolu, quand on s’adonne aussi totalement qu’on le peut à cette adhésion et aux conséquences qu’elle impose. Mais contrairement à cette adhésion prise résolument comme une fin en soi, la foi, à mesure qu’elle grandit en sa pure réalité amène le croyant à critiquer sans cesse, tant il les juge insuffisantes, les manières qu’il a de se la dire, de la communiquer. Cette activité de critique fait essentiellement partie du mouvement de foi. Elle en manifeste la qualité et la vigueur. Elle le distingue de l’adhésion, même des plus ferventes, aux croyances car celle-ci, au contraire, ne supporte aucune mise en question.
Aussi bien, à son heure, l’homme de foi doit-il renoncer aux facilités de croire qui étaient jadis nécessaires à sa foi mais qui maintenant – il en a de fines intuitions si la peur ou le scrupule ne les combattent pas - sont devenues des obstacles cachés à son approfondissement et à sa croissance spirituels. Autrement, à la longue, il en viendrait à végéter et à s’enliser dans des intellectualités, des affectivités d’un autre âge que le sien qui le distrairaient de ce dont il a besoin pour vivre authentiquement puisqu’il ne peut pas tout à fait ne pas être de son temps même s’il s’y efforce avec ténacité » [6].

3. Symbool inderdaad.

Het ‘Amen’ dat we uitspreken op het einde van de geloofsbelijdenis is dus niet een klakkeloos aanvaarden van wat daar staat en zoals het er staat, het is een besluit ons samen te laten leiden door de grote intuïtie die er in doorspreekt. We mogen dan best andere formuleringen gebruiken die ons beter op het lijf geschreven staan, maar het credo blijft een sterk symbool van de grote intuïtie die aan de basis ligt van onze joods-christelijke interpretatie van het bestaan en ons verlangen ons er door te laten richten.

En dit mag er ons niet weerhouden ook eens te gaan kijken bij andere ‘openbaringen’ van andere grote godsdiensten, die ook door vele generaties heen hun aftasten van het transcendente hebben uitgedrukt in verhalen, waarin we dikwijls – vaak tot onze verbazing – analoge klanken terugvinden die ons blij verrassen. De hedendaagse nadruk op interreligieuze dialoog is geen modeverschijnsel. Het maakt deel uit van het moderne bewustwordingproces dat herkent hoe mensen in verschillende zones van onze planeet met hetzelfde bezig zijn geweest : zoeken ergens iets te begrijpen van de transcendente dimensie van het bestaan om in dit bestaan te blijven geloven en hopen en liefde op te brengen.

* * *

Met deze tekst n° 18 sluiten wij onze reeks bijdragen af. Een tekst van een Frans priester drukt goed uit wat wij voelden onder het schrijven van de bijdragen:

            “Plus qu’aucune institution l’Eglise est menacée, alors que sa diversité devrait l’en préserver, par la pensée unique. Pour ma part, je ne me suis jamais senti aussi responsable de l’ensemble de l’Eglise qu’à partir du moment où j’ai découvert que je ne pensais pas comme les autres et que les autres ne pensaient pas comme moi. Grâce à eux, je ne pouvais prétendre détenir la vérité et ainsi, modestement, j’explorais la voie qui était la mienne. Il faudrait vivre dans l’Eglise une communion aussi forte pour qu’au lieu de nous exclure les uns les autres en raison de nos différences, nous puissions non seulement nous comprendre, mais nous encourager à enrichir la vérité commune par la vérité singulière de chacun, celle qui relève de son itinéraire, de son expérience, de sa confrontation au mystère de Dieu, de sa rencontre des hommes.
Le dynamisme que crée en chacun la recherche de la vérité est une tension heureuse vers l’unité, alors que la contrainte qu’impose la soumission à une vérité établie est une crispation malheureuse sur une des étapes du chemin vers cette unité " [7]

Ja, zich van elkaar niet afsluiten, maar op onze zoektocht naar meer waarheid elkaar verrijken door persoonlijk diep en blijvend en zonder vrees na te denken waar het in ons gelovig bestaan om gaat : met deze wens sluiten we graag af.

Marcel Neels & Fernand Lambert, m.afr.

[1Maurice Sachot, L’invention du Christ; genèse d’une religion ; Odile Jacob, 1998, p.7

[2ibidem, p.9

[3Gabriel Ringlet, L’Evangile du libre penseur, Albin Michel, Paris, 1998, p. 63-64.

[4Uit zijn boek: “Het verhaal gaat…”

[5Marcel Légaut, Un homme de foi et son Eglise, DDB, Paris, 1988, p. 50-51

[6ibidem, p.25-26 (wij beklemtonen).

[7Bernard Feillet, L’Errance, DDB, 1997, p.107-8


Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 407 / 841013

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen België  De activiteit van de site opvolgen Hedendaags geloof   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.28 + AHUNTSIC

Creative Commons License