missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be

De Vondeling

donderdag 16 februari 2012 door Jan Heuft

Hierbij een tekst die ik een tijdje geleden in het Frans geschreven heb. Ik hem nu in het Nederland vertaald. Hopelijk interesseert het U.

De Vondeling

„Ik ben geboren uit de zonde,” zeggen sommige streng gelovige mensen, anderen zeggen dat het „een ongelukje” was. Wat mij aangaat, kan het me niet zo veel schelen. Ik sta alleen op de wereld, maar bij ieder school examen, waar ik een geboorte bewijs moet tonen, kijken de mensen mij raar aan, alsof er iets met mij mis is!

Drie uur na mijn geboorte legde mijn moeder mij neer aan de poort van een groot ziekenhuis in Algiers. Liefdevolle handen hebben mij opgebeurd en naar een niet minder liefdevolle kinderopvang plaats gebracht. Alle baby’s hadden daar geboorte aktes waarop twee namen stonden: een naam van een bedachte of echte moeder en de bedachte naam of echte naam van de baby. Nooit stond er een naam van een vader, alsof ons moeder zwanger was geworden van de „Heilige Geest” zoals de Maagd Maria.

Ik ben groot geworden dank zij de vele liefdevolle handen die altijd, op de moeilijkste momenten van mijn leven, aanwezig waren. Van een „verloren baby” ben ik een kind van „sociale zaken” geworden. Een wereld titel die het mogelijk maakt, dat bij iedere misstap, de mensen om je heen, onmiddellijk de psychologische oorzaak van die stap kunnen verklaren! Natuurlijk was ik een moeilijke opvoedbare kind die zeker veel ideeën had, maar die niet voorzien waren in de opvoeding van sociale zaken. Soms, mij eenzaam voelend in de nacht, kon ik uren dromen van een liefde volle moeder en een goed toegankelijke vader die altijd dicht bij mij waren. Bij het wakker worden barstte ik dan in tranen uit zo gauw ik ontdekte dat ze in de werkelijkheid niet bestonden!

Op mijn vijfde jaar werd ik in een soort weeshuis geplaatst. Sociale zaken betaalde daar de kosten aan een vrouw die zo ongeveer acht tot negen anderen kinderen opvoedde gelijkwaardig aan mijn geval. In het begin dacht ik dat de vrouw van het weeshuis, mijn moeder was, en de kinderen mijn broers en zussen. Ze was heel aardig voor mij en ik was ook heel gelukkig tot op de dag dat ik besefte dat ze nog geen eens familie van me was, laat staan die andere kinderen. Ik huilde vele, warme tranen bij deze harde ontdekking. Gelukkig woonde er in onze straat een hele aardige en wijze man. Ik mocht voor hem allerlei boodschappen doen en hij was mijn hart en toverlaat. Ik noemde hem oom Hamouda. Op een dag werd hij ernstig ziek en ik verzorgde hem dag en nacht. Wij hadden lange en fijne gesprekken met elkaar. Bij het naderen van zijn dood bestonden de gesprekken alleen maar „in stilte naar elkaar kijken” in vol vertrouwen. Het zijn onvergeetbare momenten voor mij gebleven.

Ondertussen was ik achttien jaar geworden en mijn stiefmoeder van het weeshuis vond dat ik het huis uitmoest om de kost te verdienen. Sociale zaken gaf geen toelage meer voor mij, dus wilde ze mij vervangen door een nieuwe baby! Ik was niet meer welkom.

Zonder oom Hamouda en mijn stiefmoeder was ik volkomen alleen en verloren! Ik verbleef lange uren, dagen en nachten in de straten en onder bruggen en koffie huizen. Ik voelde me ellendig en verlaten. En ziedaar, op een late avond, terwijl ik tegen de muur van het centraal station stilletje voor mij uit zat te staren en te huilen, stond daar in eens een monnik voor me van het nabijgelegen klooster. Wat een geluk. Hij bood mij aan met mijn stiefmoeder te gaan praten om tenminste ’s nachts een onderdak te hebben. Na lang touwtrekken kreeg de monnik het voor elkaar en mocht ik voortaan naast de nieuwe baby op de grond slapen!

Ondertussen zat ik nog steeds zonder enig zakgeld en voor mijn eten moest ik bedelen. Met de vrienden van de buurt vonden we een oplossing dooreen leegstaand pand in te nemen. Met enkele pannen, een gasstel, enkele liters olie en een paar zakken aardappelen openden we een friet tent met koffie en thee. Het werd een groot succes en de mensen kwamen van her en der bij ons een frietje met koffie of thee nemen. Mijn stiefmoeder was ook reuze gelukkig want iedere avond bracht ik geld voor de kost mee. De vrouwen in de buurt waren nog gelukkiger want die stuurden hun mannen naar ons toe voor een frietje en om, in onze kleine ruimte, domino te spelen. Zelfs „mijn monnik” kwam ’s avonds „stiekem” uit zijn klooster om met hen een kaartje te leggen. Maar zoals altijd bij goede dingen, op een dag verscheen er een bulldozer van de gemeente en alles werd met de grond gelijk gemaakt! Wij waren nergens ingeschreven en dus buiten de wet! Het gevolg was, opnieuw stond ik alleen op straat!

Door al die toestanden, was de monnik een echte vriend geworden. Hij verving voor mij „oom Hamouda.” Met zijn collega’s van het klooster, stelde hij voor een boekhoud cursus te gaan volgen. Dat deed ik graag. Op het zelfde moment werd ik een „keurige jongen” in de ogen van de mensen van de wijk! Iedereen fluisterde naar de andere: „He, kijk eens, wat een geslaagde jongen uit het weeshuis. Hij is zowaar student geworden!” Mijn stiefmoeder was minder tevreden want ik bracht geen geld meer in het laadje dus jaagde ze me, keer op keer, het huis uit, de straat op.

De monnik zag het allemaal met lede ogen aan. Tenslotte stelde hij me voor om van tijd tot tijd in het klooster te slapen. Er stonden daar zes gemeubileerde kamers leeg bij gebrek aan roepingen! Eindelijk mocht ik dan in een „echt” bed slapen. Van mijn kant probeerde ik de monniken te bedanken door hen allerlei diensten aan te bieden. Ik veegde de binnen plaats aan, repareerde de telefoon en internet. Aangezien ik dikwijls naar het internet café van de wijk ging, was ik een „crack” geworden in informatica, terwijl de monniken, dikwijls, met hun zojuist aangeschafte computer in hun „maag” zaten, niet wetend hoe ermee om te gaan. Het gebeurde dus nogal eens dat ik, een volkomen in paniek geraakte monnik, weer tot rust bracht door hem uit te leggen hoe het apparaat precies werkte.

Al met al, door vooral in de nacht te studeren, slaagde ik voor mijn staats examen boekhouden en deed er zelfs nog een specialisatie cursus bij. Bij gebrek aan werk in het land is het heel erg moeilijk om een baan te vinden zonder „kruiwagen”. Gelukkig was daar opnieuw de monnik die voor een mij een „part time” baan wist vrij te maken binnen zijn stichting. Voor dat ik begon eiste hij wel dat ik mijn gebit liet „repareren” want met zo’n „fietsen stalling” van voren in mijn mond, was ik niet toonbaar aan de mensen van de stichting! Niet minder dan 14 tanden moesten geplombeerd of getrokken worden. Het werden de „14 staties van mijn kruisweg” en dat als moslim zijnde!

Normaal gesproken eindigt hier mijn relaas, maar ziedaar een trieste zaak is plotseling ons aller leven komen verstoren! De collega’s van mijn vriend monnik hebben plots klap moeten vertrekken en zijn vervangen door een nieuwe generatie monniken die van de toestand in het land niets hebben begrepen, laat staan van mijn eigen geval. Mijn vriend monnik woont nog steeds in het klooster maar hij heeft geen enkele inbreng meer gezien zijn leeftijd en zijn opvattingen over dialoog tussen godsdiensten en culturen. Door dat toedoen, is op een dag het klooster bestolen van een belangrijke geldsom. Onmiddellijk werden alle niet monniken, die in relatie stonden met het klooster aangeklaagd, opgepakt en meegenomen naar het hoofd kantoor van de politie. De hele buurt stond ervan te kijken met afschuw en ergernis! Ook ik werd met een politie wagen afgevoerd! „Ik deed het bijna in mijn broek” van de angst en schaamte. In één minuut ben ik van een „gerespecteerde boekhouder en student” weer „het kind van de zonde” geworden! Al hoewel iedereen, na verhoor en onderzoek, weer werd vrijgelaten en de dief niet werd gevonden, heeft de nieuwe baas van het klooster het oordeel geveld: „Alle niet monniken, in en rond het klooster, moeten verdwijnen.” Afschuwelijk, de goede band met alle mensen van „goede wil” rond het klooster is voor goed verbrijzeld!

Als ik nu naar de politiek op de televisie kijk dan denk ik: :«Tja, het is net als in het klooster, het zijn altijd de „anders denkende”,„de vreemdeling”, „hij of zij die niet hetzelfde is” die van alles worden beschuldigd.»

Na deze ellendige zaak sta ik dus opnieuw op straat, maar deze keer zal ik niet allen zijn, de monnik zal mij zeker volgen. Samen zullen we net als Sint Franciscus van Assisi zijn, net als de vogels zittend op een tak van een boom, onze toekomst leggend in de handen van Hem die ons geschapen heeft, wetend dat Hij nooit iemand in de steek zal laten!

Vol vertrouwen,

De Vondeling.

 

Ondertussen gaat onze hulp aan vluchtelingen, gehandicapten en mensen in nood gewoon door in vrij moeilijke omstandigheden. Op de aller eerste plaats door het al 3 weken durende slechte weer (ook hier is sneeuw en kou!)maar ook door het alsmaar moeilijker worden klimaat voor verenigingen die iets voor de medemens willen betekenen. Maar we geven de moed niet op!

Met vele hartelijke groeten,

Jan Heuft, Algiers.

 

Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 116 / 652263

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen Afrika  De activiteit van de site opvolgen Algerië   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.26 + AHUNTSIC

Creative Commons License