missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be
Editoriaal

Het Evangelie op straat

Nuntiuncula N°685 Maart - April 2014
vrijdag 25 april 2014 door Webmaster

Ons laatste kapittel vroeg ons nogmaals, en met nadruk, ons in te zetten voor meer rechtvaardigheid en vrede in Afrika, maar evenzeer in onze eigen kleine leefwereld van hier en nu. Daarenboven heeft onze Sociëteit haar voorkeur uitgesproken voor de armen, en voor allen die op een of andere manier uit onze sociale welzijnsboot zijn gevallen, maar waar wijzelf wèl mogen inzitten.

Op de keper beschouwd is het niets anders dan een aan onze moderne tijden aangepaste verwoording van de parabel van de barmhartige Samaritaan. En welke missionaris zou daar iets kunnen tegen hebben? In theorie gaan we dus met dit alles zeker akkoord. Maar hebben wij die keuzes ook samen als lokale gemeenschap gemaakt, en ook ik voor mijzelf als individu? Hebben wij ook de gevolgen daarvan onder ogen durven te zien?

Want dan wordt dat allemaal ineens zo veel concreter en delicater. Hoever stellen wij ons hart, en bijgevolg ons huis open voor hen die onze hulp inroepen, ze nodig hebben, en ze (misschien) verdienen? Tot op de drempel? Of tot in de gang? Of tot in de spreekkamer? Tot in onze refter?? Tot op een kamer voor een nacht ??? – En ongetwijfeld kan deze gradatie van “openhartigheid” toegepast worden op elke situatie waarin we ons kunnen bevinden.

“Ja maar, ge moet toch zeker ook niet zó naïef zijn?” – Zeker niet. Maar we zien dat elk concreet geval van een serieuze “keuze voor de armen” aanleiding kan geven tot verhitte discussies, vóór en tegen, met langs beide zijden heel redelijke argumenten. Maar is echte liefde redelijk? - Laat ons hopen dat er op het einde van de discussie nog iets overblijft van onze grootscheeps aangekondigde ‘Voorkeur voor de armen’. Maar ondertussen blijft dit woord in onze oren klinken: “Wat ge voor één van die minsten hebt gedaan, dat hebt ge aan Mij gedaan”. – “Maar, Heer, waar of wanneer hebben wij U gezien...??!” — “Herinnert ge u nog; eergisteren avond, die lange bel om 9 uur? –Ik was het”.

“Herinnert ge u nog die tram aan de Midi? Dat was Ik.”

In september ll. had ik een afspraak met Sr. Bernadette, dirigente van het koor dat onze viering in St-Goedele zou opluisteren. Ze woont in het centrum van St Gillis. Ik nam dus de trein tot het Zuidstation. Buiten Linthout en Degroux ken ik absoluut niets van Brussel, noch van tram, bus of metro. Buiten het station werd ik opgezogen door de wriemelende massa mensen, die elk als mieren hun eigen weg volgden, zonder de minste aandacht voor de anderen. 80% of misschien wel 90 % waren van buitenlandse afkomst. Ik vroeg wel 10 keer hoe ik in St-Gillis kon geraken. Ofwel verstonden ze me niet, ofwel kenden ze St-Gillis niet. Ik dacht: zo moeten die immigranten zich hier hun eerste weken en maanden gevoeld hebben: volledig, maar dan ook volledig verloren, als in een stenen oerwoud, en met niemand kunnen praten.

Eindelijk vond ik een echt Brussels heertje, dat me de juiste tram kon aanwijzen. Een hele opluchting.

Terwijl ik onder de sporenviaduct op mijn tram stond te wachten, werd mijn aandacht getrokken door een klein, oud Afrikaans vrouwtje op het perron tegenover het onze. Ze had een grote boodschappentas op wieltjes bij, die volgepropt stak met haar hele, rommelige inboedel. Ze stond te springen en wenend haar miserie uit te schreeuwen tegen de hele administratie die haar had laten vallen, en dat er niemand naar haar wou luisteren en dat ze ten einde raad was.

Het was duidelijk dat ze door haar lange miserie haar verstand verloren had. Ze pijnigde zichzelf door zo te springen en te schreeuwen. Het was een zielig en aandoenlijk schouwspel. Iedereen zag en hoorde haar, maar niemand bewoog. Iedereen was bezig met zijn eigen zaak, iedereen wachtte op zijn tram. En ik moet bekennen: ik ook.

Tot naast mij een grote Afrikaanse man met een grijs ringbaardje, en goed gekleed in een lange overjas, rustig ons perron afstapte, over de dubbele tramsporen heen, en het andere perron opstapte. Met uitgestrekte handen liep hij naar het vrouwtje, drukte ze zacht tegen zich aan, en aaide haar over haar klein grijs kopje. Ze werd ineens rustig en kalm, en liet zich doen als een gelukkig kind. Van verre stond ik erop te kijken, met tranen in mijn ogen en rood van schaamte, want ik had hetzelfde willen doen, maar ik durfde niet, uit menselijk opzicht, en uit ‘redelijkheid’, “want mijn tram ging zo dadelijk aankomen, en ik mocht die niet missen, en bovendien kon ik toch niets aan haar toestand veranderen, want ze had haar verstand verloren”.

Toen na een poosje onze tram aankwam, keerde hij terug naar ons perron, en samen stapten wij op.

Die man ging die namiddag gerechtvaardigd naar huis. Ik niet.



  Herman Cornelissen, M.Afr.
vanuit Dublin

Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 72 / 629303

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen Getuigenissen - Gebeurtenissen   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.26 + AHUNTSIC

Creative Commons License