missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be
Hartslagen van de CCBF

Geloven in Christus

Joseph Moingt, s.j.
donderdag 8 november 2018 door D.F. (Vertaling), Webmaster

Gesteld aan een gelovige christen, bovendien theoloog, verwacht de vraag : [bleu]“Is Jezus een gewone profeet ?”[/bleu] duidelijk een negatief antwoord. Ik denk niet dat ge van mij verwacht, in de korte tijd van een tussenkomst, noch een historisch onderzoek over Jezus in de evangelies, noch een dogmatische uiteenzetting over de goddelijke identiteit die de Kerk hem erkent.

Terwijl ik tracht nadrukkelijk te formuleren wat onder de vraag verstaan wordt, neem ik haar in deze betekenis : alhoewel Jezus, begrepen op het vlak van de geschiedenis, alleen maar een profeet lijkt te zijn, wat is er dat u doet geloven dat Hij meer en iets anders was dan dat ? Ik zal het nodig vinden het onderliggende dat ik zopas geformuleerd heb te nuanceren, maar ik aanvaard het grotendeels : zeggen dat Jezus meer was dan een profeet hangt niet af van een geschiedkundig oordeel, maar van het geloof. Mijn overdenking gaat zich dus concentreren op de akte van te geloven, omdat deze een personage betreft die noodzakelijk in de geschiedenis gesitueerd is, maar die oneindig overtreft wat het historisch onderzoek toelaat erover te zeggen.

Ik ga te werk gaan door de volgende vragen aan elkaar te knopen :

  1. Ik zal eerst uiteenzetten waarom de courante theologische uitleggingen me niet voldoen.
  2. Ik zal vervolgens het verschil onderzoeken tussen geloven in God en geloven in Christus.
  3. Daarna zal ik de historische figuur van Jezus opzoeken, deze van een profeet misschien, eerder deze van een raadselachtig personage.
  4. Ik zal trachten te zeggen hoe het geloof dit raadsel doorbreekt en waarin het geloof in Christus Zoon van God de akte van te geloven in God verandert.
  5. Tenslotte zal ik onderzoeken wat, in onze tijden van veralgemeend ongeloof, de akte van te geloven betekent onder de modaliteit van een willen-geloven.

Heeft het geloof er nood aan zich uit te leggen ?

De courante katholieke theologie ontslaat er zich schijnbaar van de vragen te stellen die ik ga oproepen. Het geloof is geen weten, zo zegt zij, en zij hoeft dus niet te antwoorden ‘op de vragen van het type : van waaruit weet gij dat Jezus Zoon van God is, hebt ge dat onderzocht en getoetst ? Het geloof bestaat er niet in te “geloven dat…”, maar in te “geloven in” : het is een akte van vertrouwen in de persoon van God, van Christus, een engagement genomen tegenover Hem, dat legt zich evenmin uit als de sympathie die iemand u inspireert. Overigens, het geloof hangt niet af van ons : het is een gave van God, een genade, een licht, een kracht : de genade verlicht wat zij inspireert te geloven, wanneer wij de Schrift lezen of wanneer wij het geloof van de Kerk ondervragen, en geeft ons de zekerheid ermee in te stemmen in alle Waarheid en oprechtheid.

Ik tracht niet deze uitleggingen nog meer te verfijnen die de theologie ons levert over de akte van geloof. Deze zijn niet vals, ik heb deze zelf meer dan eens gehouden, maar zij zijn niet bevredigend, zij lijken op ontsnappingen : we slagen er niet in rede te geven van ons geloof, misschien niet aan onszelf, en wij vluchten weg in het mysterie van de gaven Gods.

Deze uitleggingen zijn vooral gebrekkig en onvolwaardig in het geval van de Christus. Het is niet juist te zeggen dat ons geloof in Christus niet berust op een weten, niet helemaal noch op een beslissende wijze weliswaar, maar toch ernstig : we hebben verhalen die vertellen wat hij gedaan heeft, wat hem is overkomen, die zijn woorden weergeven, die hem tot een zekere figuur vormen. De daad van geloven in Christus is niet ongedeerd van dit historisch weten. Het is eveneens niet waar dat het “geloven in” helemaal abstractie maakt van een “geloven dat”. Zegt het evangelie van Johannes ons niet dat het geschreven werd “opdat ge zou geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God” ? Het geloof in Christus zou ledig zijn van betekenis als die naam van Christus ledig was van inhoud.

Het is niet voor niets, overigens, dat wij zeggen “geloven in Christus” eerder dan in “Jezus” : een naam van een persoon heeft geen betekenis, een toegekende naam heeft er wel een. Als wij zeggen : “Ik geloof in Jezus Christus”, dan bevestigen we Jezus te erkennen als gezondene van God, en zo betekenen we meteen waarom we in Hem ons vertrouwen stellen en waarom we ons engageren in zijn gevolg. En verder nog, zien we niet dat Jezus aan zijn leerlingen hun “gebrek aan verstand” verwijt, en hen verwijst naar de Schriften opdat zij zouden begrijpen dat deze van hem zeggen : hij nodigde hen uit te verifiëren dat wat hij hun gezegd had en wat hun gebeurd was in het licht van de Schriften, hij stelde hun de geschiedenis aan zijn zijde voor als stof ter overweging die hen moest leiden naar het geloof. De evangelies verhalen de geschiedenis van Jezus met deze intentie. Dat deze niet zouden overeenstemmen met onze historiografische kerkelijke regels verandert niets aan de zaak : wat gezien wordt als wat zich heeft afgespeeld op het vlak van de geschiedenis van Jezus wordt ons voorgesteld als de steun van ons geloof door de bemiddeling van een nadenken over de heilsgeschiedenis verhaald in de Schrift.

Wat betreft het zeggen dat het geloof gave van God is, dat zal ik zeker niet betwisten, maar waarom verwijt Jezus dan zo dikwijls en zo heftig aan zijn toehoorders hun gebrek aan geloof ? Wij kunnen de akte van geloof niet helemaal vrijstellen van een subjectieve verstandhouding die we toekennen of weigeren met de roep om te geloven. Ik zal hier in dit verband het probleem van de predestinatie of de voorbestemming niet ophalen.

Terwijl we aan God de zorg laten de harten te peilen, zullen we nooit aan iemand zeggen dat hij schuldig is van niet te geloven, maar wij zullen evenmin ooit laten horen dat het geloof uit de hemel is gevallen en ons overmeesterd heeft zonder dat we er voor iets tussenzitten. Wij weten goed uit ervaring de inspanningen die wij moeten leveren om het geloof te bewaren ; des te meer kan men het geloof niet verwerven zonder een inspanning van het verstand en van de wil, en de genade is de impuls die deze inspanning ontketent en ondersteunt.

++++

Gelooft men in Christus zoals men gelooft in God ?

We onderzoeken nu het verschil – het extreme verschil – dat er is tussen het geloven in God en het geloven in Christus : verschil tussen het niet geziene, “Niemand heeft ooit God gezien”, en het geziene, “Wat we met onze ogen hebben gezien, wat we hebben aanschouwd en onze handen hebben aangeraakt van het Woord van het leven”. Deze woorden van Johannes zouden nood aan interpretatie hebben, maar dat neemt niet weg dat, in het geval van Jezus, er een zien is dat aan het geloof voorafgaat. Het conditioneert dit niet helemaal, maar het zien is het object van het geloven : men gelooft niet enkel wat men ziet, maar geloven draagt op wat men ziet. Aan hen die niet in hem geloofden, verweet Jezus niet alleen niet in te stemmen met zijn woord, maar van niet te geloven terwijl zij toch gezien hadden wat hij deed, de tekenen die hij gaf van zijn zending. Zonder zelfs de “tekenen” te vermelden, is het het geheel van de historische gedragingen van Jezus dat wordt voorondersteld aan de basis van het geloof in hem. Dit zeggen vereenvoudigt de kwestie van het geloof niet, maar het is onmisbaar het te zeggen, op straffe elke band te breken tussen het geloven en het kennen, het geloof en de rede, en vooral het geloof te verwijderen uit de geschiedenis.

Maakt de band met de geschiedenis heel het verschil uit tussen het geloof in Christus en het geloof in God ? Neen, althans niet op een absolute wijze, vermits God zich verbonden heeft met de geschiedenis van zijn volk, zo sterk dat de bevrijding van de uittocht uit Egypte ingeschreven staat aan het fundament van de openbaring van de Sinaï. Door zijn verwijzing naar de Schriften, maakte Jezus de band tussen zijn geschiedenis en deze van zijn volk, het geloof in God en het geloof in hem. Laten we trachten deze gelijkenis te begrijpen, vooraleer het verschil ervan te onderstrepen.

De God van Israël wordt Heer, Redder en Verlosser genoemd : het geloof in deze God is ook een “geloven dat…”, dat hij Redder is, wordt gemotiveerd door de gebeurtenis, gezien als historisch, van de uittocht uit Egypte ; en het geloof in God Heer van de hemel en van de aarde, vloeit voort, zo leggen de exegeten uit, uit de ervaring van het heil beleefd door dit volk : het is de vrucht van een zeker begrijpen van de heilsgeschiedenis. Ander bewijs dat het geloven niet op een absolute wijze de daad van te begrijpen, van te kennen en van te weten verwerpt. Het geloof dat Jezus opeiste voor zich gaat zo ook samen met een oproep tot heil, met het vertrouwen door hem gered te worden. Geloven dat hij de Christus is, is geloven dat hij door God gezonden is voor het heil van zijn volk. Jezus maakt zich het geloof eigen dat het volk richtte tot God, niet, zoveel is duidelijk, om het te ontnemen aan God, maar om te betekenen dat het heil van God loopt door hem heen, Jezus. Het geloof toegekend aan Jezus overtreft dus veel de bevestiging dat hij profeet zou zijn, vermits deze hem dicht associeert met God, de meester van het heil.

Een illustratie van de banden tussen geloof en heil, geloof in God en geloof in Jezus wordt geleverd door het verhaal van het doopsel van de cipier van de gevangenis waarin Paulus en Silas opgesloten waren geweest (in Handelingen van de Apostelen 16), nadat de poorten geopend zijn geworden door een aardbeving, zonder dat de gevangenen eruit wegvluchtten. De cipier vraagt hen “wat hij moest doen om gered te worden”, en zij antwoordden hem : “Geloof in de Heer Jezus”, zij doopten hem, en bood hen een maaltijd aan “terwijl jij zich verheugde in God te hebben geloofd”. Het werkwoord geloven betekent dus een roep tot heil gericht tot een transcendent wezen die naar eigen zin beschikt over het lot van de mensen ; gericht tot Christus, schik deze roep zich meteen tot de sfeer van het goddelijke.

Dit gezegd zijnde, moet men zich haasten terug te komen op het radicale verschil tussen de twee geloven : geloven in God veronderstelt niet dat hij gezien is geweest, hij wijst dit zelfs af, vermits hij in de hemel verblijft, beveiligd tegen de menselijke blikken ; misschien zelfs gelooft men in hem des te gemakkelijker als hij zich niet toont, door zo zijn absolute transcendentie veilig te stellen ; maar Jezus leeft op aarde : hij kan alleen maar geloofd worden omdat hij zich laat zien. Het geloof in hem is onderworpen aan verificatie.

++++

Heeft Jezus zich laten zien als Christus ?

Stellen we eerst enkele voorafgaande bemerkingen. Jezus is alleen maar onderwerp van de geschiedenis als mens ; het feit dat hij God zou zijn kan het voorwerp niet zijn van een waarneming noch van een historische bevestiging. (Ik laat hier de vraag terzijde of het al dan niet past te beslissen, in theologische striktheid, de goddelijkheid toe te kennen aan Jezus binnen de grenzen van zijn historisch menselijk bestaan.) – Hij heeft zich Zoon van God kunnen noemen of laten noemen in de betekenis van messiaanse gezondene, zonder dat dit begrepen zou worden als een opeisen van een transcendente oorsprong. Maar de historische exegese weerhoudt niet als overleveringen die teruggaan tot de tijd van Jezus deze die het duidelijk teken dragen van het Pasengeloof. –

Heeft hij mirakels volbracht om krediet te geven aan zijn goddelijke zending, op een onafhankelijke wijze van de genezingen die hij deed terwijl hij het geloof van de zieken opwekte ? De historische kritiek zal zeer weerhoudend zijn op dit punt en het is mogelijk dat de kritische theologie dit eveneens zou zijn. Maar het lijkt meer en meer aangenomen dat de mirakelverhalen deel uitmaken van een letterkundig genre dat overvloedig betuigd wordt in de joodse en heidense letterkunde een eeuw of twee voor Jezus, en beweren dus niet feiten weer te geven die behoorlijk waargenomen werden. Men noteert eveneens dat deze evangelieverhalen als bijzonderheid hebben de aandacht af te wenden van de wonderdaad op zich om deze te vestigen op de persoon van Jezus. En, in elk geval, de aangevoerde wonderdaden zijn er niet in geslaagd hem te doen erkennen als Messias.

Eens deze voorafgaande bemerkingen gesteld of aanvaard onder voorbehoud van een meer doorgedreven onderzoek door deskundigen, is men herleid, op het punt van de historische waarneming, toe te geven dat Jezus helemaal niets meer was dan een eenvoudige profeet ? Zelfs dit punt is minder gemakkelijk op te lossen dan men zou kunnen denken. Want, Jezus is niet als profeet erkend geworden, in zijn tijd, door de religieuze gezagsdragers noch door de meerderheid van zijn volk, en hij is dit evenmin geweest in het verder verloop van de geschiedenis van dat volk. Daar waar hij Profeet genoemd wordt in de geschriften van het Nieuwe Testament, gaat het om een geloofsverklaring die hem het messiaanse gezag toekent om de tijd af te sluiten van het Profetie en van de Wet. In die zin en blijvend binnen het Bijbelse kader, lijkt de benaming “eenvoudige profeet” geen historische geldigheid te hebben. – Of dan zal men hem enkel een profetische figuur willen toekennen, met vergelijking met andere personages van de Bijbelse geschiedenis, of nog in de weberijnse betekenis van drager van charisma bezield door een persoonlijke roeping, een betekenis die zich onverschillend toepast op Mozes, Boeddha, Zarathustra, Jezus of Mahomet, en die dus vaag is.

De moeilijkheid van het historisch onderzoek is Jezus te klasseren in de ene of de andere categorie van religieuze personages gekend in zijn tijd en in zijn land. Men weet hoeveel pogingen er gedaan werden, zij komen er toe wel dit of dat punt te preciseren, maar zonder te komen tot een voldoende en definitief resultaat van het geheel. Anders gezegd, men kan niet komen tot een oordeel dat zou uitmaken dat Jezus “alleen maar” dit of dat was. Uit de mislukking van zo talrijke pogingen, nochtans gevoerd met zo’n breedte en zo’n striktheid, besloot Ernst Käseman, een goede eeuw geleden, dat Jezus een historisch “enigma” blijft, en hij voegde eraan toe (ik citeer volgens geheugen) : dit enigma, het is hijzelf die het ons stelt, en het is daaraan dat het geloof een antwoord biedt. Een recente geschiedkundige, John Peter Meier, heeft onlangs een aantal historische onderzoeken geschreven met als titel: A Marginal Jew, titel in het Frans “politiek correct” vertaald door Un certain Juif (Een zekere Jood). Ik denk toegelaten te spreken van de “marginaliteit” van Jezus zonder hem iets van zijn joodsheid af te nemen noch van zijn judaïsme. Onder andere stromingen en andere marginale personages van zijn tijd, heeft hij die bijzonderheid gehad veroordeeld te zijn geweest voor godslastering en verworpen te worden door zijn godsdienst, terwijl hij deze alleen maar wou terugbrengen tot haat geestelijke zuiverheid op de wijze van de profeten, zonder revolutionair programma dat zelfs niet hervormend was op het vlak van de instellingen. Ook zijn leer is dus eveneens een enigma gebleven voor de theologen van zijn tijd.

Het enigma wordt nog dikker, als men het oordeel van Meier aanvaardt, dat stevig gestaafd is, dat Jezus zich bewust was gezonden te zijn om de komst van het Rijk van God voor te bereiden onder de vorm van de vereniging van de twaalf stammen van Israël. Hoe weinig conform het ook zij met de talrijke verklaringen van de Heilige Zetel in de loop van de 19e eeuw over het messiaanse bewustzijn van Jezus, heeft dit oordeel het belang te situeren, op het vlak van de geschiedenis, het gevoelen van Jezus in een bijzondere band met God te zijn, zijn openbaring te voleindigen, van hem de zending te hebben ontvangen zijn beloften te volbrengen, die hij interpreteerde volgens zijn verstaan van de Schriften en in overeenstemming met de verwachting van velen van zijn tijdgenoten onder de meest godsdienstige. Het is mogelijk dat het geschiedkundig onderzoek niet verder zou kunnen gaan. Het maakt van et enigma van Jezus een echt mysterie, als men denkt dat God zijn verwachting niet waarlijk gerealiseerd heeft. De verrijzenis van Jezus werpt een licht op dit mysterie, zij alleen fundeert het geloof in Christus, maar zonder hem af te snijden van zijn geschiedenis.

De eersten die in hem geloofd hebben, hebben dit gedaan op het getuigenis van de apostelen die bevestigden hem gezien te hebben nadat hij in de kist was gelegd. Zijzelf hebben geloofd in zijn verrijzenis, want zij hebben daarin het oordeel en de tussenkomst van God gezien ten bate van de Gekruisigde, een tussenkomst die zij geïnterpreteerd hebben in het licht van de Schriften en van de vroegere woorden, feiten en gebaren van Jezus, in wie zij reeds geloofden als gelast met zending door God, en zij hebben verkondigd dat “God hem Christus en Heer had gemaakt”’, volgens de uitdrukkingen van Petrus in zijn eerste rede aan de Joden. De mensen van vandaag hebben geen andere weg om te geloven in Christus dan deze getuigenis van de apostelen waardoor het geloof in Christus zich in de wereld verspreid heeft.

++++

Gelooft men op een verschillende wijze in God en in Christus ?

Alhoewel het geloof in God het geloof in Christus voorafgaat, heeft het aan dit laatste niet ontbroken het eerste diep te veranderen. Inderdaad, de daad van God Jezus te doen verrijzen is meteen begrepen geweest als de daad aan hem zijn eigen eeuwig leven mee te delen, en Jezus werd meteen geloofd als Zoon van God, zoals de profeten de komst van de Messias aankondigden : “Gij zijt mijn Zoon, ik, vandaag, ik heb u voortgebracht”. God werd, daardoor meteen en voortaan geloofd als Vader, zoals Jezus hem noemde. Zonder te beweren dat de apostelen het dogma van Nicea reeds hadden bedacht, is het zeker dat het trinitaire concept (drievuldigheidsidee) zich in de kiem bevond in deze relatie van intimiteit en van herkend leven tussen God en Jezus. Een tweede belangrijke verandering van het concept van God werd gedaan, in dezelfde tijd, in verlenging met de eerste : de Vader van Jezus is erkend geworden als Adoptievader van een menigte van mensen door de gave van de Heilige Geest die hun het goddelijk leven van de Verrezene meedeelde en van hen deelgenoten maakte aan zijn goddelijk zoonschap en hen voorbestemde om met hem te verrijzen. De relatie van de mensen met God werd zo diep veranderd door het geloof in Christus, en het is zo dat de christelijke godsdienst zich heeft verspreid tot in onze dagen.

Wat is hiervan vandaag ? Het geloof in Christus Zoon van God is zwakker gemaakt van verschillende kanten : onze geschiedkundige mentaliteiten kunnen de verrijzenis van Jezus niet meer erkennen als een historische gebeurtenis, het concept van menswording (incarnatie) wordt aan dezelfde kritiek onderworpen, de hedendaagse geschiedkundige onderzoeken over Jezus hebben de sterke strekking hem op te sluiten binnen het kader van het judaïsme van zijn tijd, de nieuwe oecumenische relaties met de joden en de moslims zouden zich hiermee gemakkelijker overeenstemmen, en dezelfde oecumenische geest (in de brede en oneigen betekenis) nodigt uit de godsdienstige verschillen weg te vagen bij de opvatting van God om terug te keren naar het zuivere monotheïsme van het geloof dat Abrahams genoemd wordt. Zo zou het gunstig kunnen schijnen voor de christenen toe te geven dat Jezus alleen maar profeet was.

Zonder terug te komen tot wat ik in dit verband gezegd heb noch te discussiëren over deze nieuwe motivaties en oriëntaties, moet men wel zeggen dat het christendom heel verschillend zou zijn van zijn oorsprong en van zijn traditie als het nu herleid wordt nu in Jezus alleen maar een religieuze meester te zien. Niet alleen zouden dan de fundamentele dogma’s aan flarden worden gescheurd, maar de relatie van de mens met God zou hierdoor radicaal veranderd worden, althans in principe.

Ik heb deze toegeving gedaan, “althans in principe”, omdat het niet zeker is dat de verandering van het geloof in God door het geloof in Christus zo diep is als zij zou geweest zijn sinds de tijd van de apostelen, zou gezien worden, tot op onze dagen, in haar radicaliteit, door het feit dat het geloof in God van Jezus breed bepaald werd door de geloofsovertuiging in God verspreid in de mensheid sinds de diepte van de tijden. Zonder beroep te doen op de religieuze archeologie noch op de eigenheid van de Bijbelse geloofsovertuigingen, laten we aandacht schenken aan de eigenheid van de openbaring van God gemaakt, niet eenvoudig door een mens, maar in hem, in zijn persoon, in zijn historisch bestaan en de gebeurtenissen van zijn leven, vooral in de dood en de verrijzenis van Jezus. Deze eigenheid wordt sterk uitgesproken door twee verzen van het evangelie van Johannes, het ene in het begin: “Niemand heeft ooit God gezien”, het ander in de rede na het Laatste Avondmaal : “Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”, woorden die Jezus herhaalt in gelijkwaardige termen in hetzelfde evangelie, bijvoorbeeld aan zijn joodse tegenstanders : “God, gij kent hem niet”, of nog zijn leerlingen : “Ik en mijn Vader, wij zijn één”. Ver van zich te tonen als eenvoudige woordvoerder van God, laat Jezus weten dat er geen andere authentieke openbaring is dan deze die gedaan wordtin hem in de tijd van zijn manifestatie aan de wereld, want God openbaart zich als persoon in hem en dat Jezus in persoon, als Zoon, het woord, de zichtbare, de openbarende is van God.

In deze openbaring ontsluiert zich, niet de eenvoudige relatie van afhankelijkheid van de mensen tegenover God, maar de liefdesrelatie van God tegenover hen : hij denkt aan hen sinds alle eeuwigheid, hij is op zoek naar hen sinds het begin der tijden, hij is gekomen in Jezus om zich aan hen te binden en geschiedenis te maken samen met hen, hij heeft hun zijn Zoon overgeleverd als onderpand van zijn gans belangeloze liefde, hij wil in hen verblijven in afwachting dat de Geest hen zou leiden tot bij hem. De dood van Jezus op het kruis – “want het was God die in Christus de wereld verzoende met hemzelf”, zegt Paulus –toont dat God niet in de geschiedenis komt om het meesterschap ervan weg te grijpen van de mens met stunten van zijn macht, maar dat hij aanvaardt onze beledigingen en smaad te ondergaan als bewijs van zijn respect voor onze vrijheid en voor onze waardigheid.

Deze openbaring die helemaal overhoop komt gooien wat de mens dacht van zijn band met God, kon niet waargenomen worden in haar radicaliteit, zolang de oude gedachte van de Almachtige Vader overwegend bleef. – Het gaat anders in onze dagen, nu de westerse mens zich schijnbaar bevrijd heeft van alle vrees en van elke onderworpenheid tegenover God. Dit verschijnsel vecht fundamenteel het geloof in God aan bij degenen die het bewaard hebben. De christen vindt hiervan de uitleg in het kruis van Jezus, en alleen maar daar : het is God zelf, en hij alleen, die aan de mens de vrijheid heeft gegeven in hem al dan niet te geloven, en de macht zijn straffen niet te vrezen, door toe te laten op het kruis van zijn zoon gehoond te worden door zich daar ongewapend en onmachtig te tonen. De christen die zich aan deze overweging wijdt vindt daar een nieuwe reden en een nieuwe manier van in God te geloven. Degene die er niet over nadenkt, loopt het gevaar te bezwijken voor het schandaal van het kruis en zo gewonnen te worden door het ongeloof van de omgeving.

Overeenkomstig met het teken van de bronzen slang opgericht in de woestijn, kan het geneesmiddel alleen maar komen vanuit de plaats waaruit het kwaad is gekomen. De westerse mens, die van het christendom geleerd heeft in God te geloven en die voelt dat zijn geloof in God bedreigd wordt, zal het niet redden door zijn geloof in Christus op te offeren, maar alleen door van Christus te leren anders in God te geloven dan hij het vroeger deed.

++++

Wat wil willen geloven zeggen ?

Ik haal deze vraag maar op als een manier van besluit, of eerder van opening van een andere piste waarop onze overdenking verder gezet zou kan worden. Volgens Gianni Vattimo, herleidt zich het geloof van vele christenen vandaag tot een zwak willen geloven, ofwel tot een geloven dat men gelooft. Een dergelijk herleiden van het geloof lijkt me kenmerkend voor een verlies van vertrouwen in hun eigen geloof vanwege vele christenen waarvan het geloof niet meer gesteund wordt door een zekere unanimiteit van geloofsovertuiging. Het voortduren van een willen geloven, hoe zwak ook, is nochtans veelbetekenend, anderzijds, van een rest van levendigheid van een geloof dat er niet in berust helemaal teloor te gaan. Dit willen geloven, dat niet meer gevoed wordt door persoonlijke inspanningen, lijkt me van verder te komen dan het individu die het moeilijk heeft te geloven, lijkt me te komen uit de diepte van de tijden waarin de mensheid zich bewerkt voelde door een nood gered te worden, door een verwachting van een redder. Het is ongetwijfeld naar zijn gelijke, naar zijn clan, dat de mens zijn eerste oproepen gericht heeft tot hulp, en hij heeft zich gericht naar een transcendent wezen, nog voor hij deze opvatte als absoluut, naarmate dat zich in hem het oneindige ontdekte van zijn spirituele verlangens.

De nood om te geloven lijkt me ingeworteld in de natuur van de mens, voor zover hij een wezen van woord is, en elke daad van woord is een openbaring van een nood aan de andere, van een betrouwen in de andere, van een nood betrouwen te stellen in de andere onder de bedreiging niet te kunnen overleven. Het is ongetwijfeld tot een dergelijke nood dat de antropogenese van het religieus geloven, gewenst door Marcel Gauchet, zou teruglopen. Julia Kristeva, van haar kant, had geen ongelijk te schrijven dat de akte van geloof zijn oorsprong vindt in een pre religieuze nood van te geloven, en zij citeert terecht in dit verband het woord van de Psalmist hernomen door Paulus “Ik heb geloofd, het is daarom dat ik heb gesproken”. Dat het geloven in God ingeworteld zou zijn in de nood van de mens om te geloven in de mens, dat zou de gelovige niet moeten storen, dat bewijst niet dat God werd uitgevonden door de mens, dat toont aan dat de mens wordt bewerkt door een onuitputtelijke nood aan andersheid, een nood die hem geleid heeft naar de oevers van een oneindige andersheid, want het is God zelf die in de mens de nood aan de andere gelegd heeft en deze onderhoudt.

De mens van vandaag heeft misschien het geloof in God verloren, want dit leek hem zich af te keren van het zoeken naar zijn voltooiing in zijn eigen wereld. Er blijft hem een willen geloven dat het tegenovergestelde is van zijn wanhoop te komen tot deze voltooiing, zozeer twijfelt de mens van vandaag zijn geluk te vinden in deze wereld. Er blijft hem te trachten het enigma te ontcijferen dat hij voor zichzelf is doorheen dat van Jezus, om te ontdekken dat alleen het geloof in God in staat is hem het geloof terug te schenken in zijn eigen bestemmingen, want de God van Jezus is een God die geloof heeft in de mens, sinds altijd.

  Joseph Moingt, s.j. - Pinksteren 2008
Coups de cœur (Hartslagen) de la CCBF

Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 406 / 1013304

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen België  De activiteit van de site opvolgen Hedendaags geloof   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.28 + AHUNTSIC

Creative Commons License