missionarissen van afrika
missionnaires d’afrique

L A V I G E R I E . be
Mulelisten, Baluba... 0ntruiming

MIJMERINGEN VAN EEN MISSIONARIS

Band - JANUARI FEBRUARI MAART 2010
zondag 4 april 2010 door Webmaster

Ingaande op een verzoek even schriftelijk te mijmeren over de vele ontruimingen die ik in Congo heb meegemaakt, draai ik de klok van mijn geheugen 45 jaar terug naar 10 juli 1964 in Kasongo.

Sinds enkele maanden heeft het bisdom Kasongo een nieuwe bisschop, Mgr. Mala, maar die is hoogdringend in het Universitair Ziekenhuis van Kinshasa opgenomen. De W.P.-rangen zijn uitgedund. De Witte Zusters zijn na de vorige ontruiming niet teruggekeerd. Voor vrouwen is het in de Maniema te gevaarlijk geworden.

Sinds kort rolt de opstandige beweging van Mulele als een pletwals door diverse contreien van het onafhankelijke Congo en bedreigt nu Kasongo.

Jef Martens, econoom van het bisdom, op weg naar de buitenposten om het maandloon van de onderwijzers uit te betalen, is in handen van de Mulelisten gevallen. Het garnizoen van de Congolese weermacht dat in Kasongo is gelegerd, is op de vlucht geslagen met pak en zak, met vrouwen en kinderen. Confraters uit naburige posten hadden zich teruggetrokken in Kasongo.

Wat moeten wij doen? Wij keken naar elkaar, maar vooral naar de meest ervaren wijze van ons gezelschap, Wim Embrechts. Die riep ons samen om te beraadslagen: “De bisschop is afwezig en de regionale overste is niet te bereiken. Blijven of ontruimen?” Ieder gaf zijn mening.

  • Argumenten om te blijven: Jef Martens kunnen we niet alleen achterlaten. Het klassieke: de herder verlaat zijn kudde niet, met de nuance: wie niet in parochiedienst staat, moet naar veiliger oorden.
  • Argumenten voor ontruiming: door de berichtgeving in de media wisten wij dat die opstandelingen ongenadig waren voor de blanken en voor allen die met hen hadden samengewerkt. Wim zei: “Laten wij daar eens goed voor bidden en er een nachtje over slapen. Morgen deel ik mijn beslissing mee.”

Daar moeten wij nog eens een nachtje over slapen… Bidden gaat wel, moet zelfs, maar slapen? Met het vooruitzicht van een aftocht, een vlucht! Ik vreesde dat het laatste argument doorslaand zou zijn, ontruimen dus. Ik was jong, nog maar drie jaar bezig, voelde mij er thuis, werd begroet en goed ontvangen in de dorpen en de straten van de cité. Dát moeten beëindigen, leek mij een verbanning.

Wakend of sluimerend vlogen flitsen van vorige ontruimingen door mijn geheugen. In 1960 al, een paar weken na het feest van de onafhankelijkheid, hadden wij, buitenlandse zendelingen, op bevel van de bisschop onze posten ontruimd. Dat kwam zo. Door de muiterij in het Congolese leger (de “force publique” van die tijd) werden Belgische paracommando’s ingezet om bange Belgen te evacueren. Ook in Kasongo. Mgr. Cleire gaf aan de commandant de raad geen geweld te gebruiken, maar die gaf ten antwoord: “Wij kregen het bevel de Congolese garnizoenen te ontwapenen.” Dat bevel voerden ze uit en ze hebben dus het militaire kamp bestormd. Er vielen doden aan de kant van de Congolezen. Bisschop Cleire heeft dan het bevel gegeven aan al zijn missionarissen, waarvan de overgrote meerderheid Belgen waren, uit te wijken naar naburige missieposten, totdat de para’s vertrokken waren uit Kasongo.

Die eerste ontruiming verliep niet zo vreedzaam als gehoopt. Onderweg werd op ons konvooi geschoten. Onze afwezigheid was van korte duur: minder dan een week later waren de meesten weer op hun post. Wie echter van een “blijde intrede” had gedroomd kwam bedrogen uit.

In de kathedraal was er een “nadienst” voor de gesneuvelde soldaten gepland. Er werd bij ons, blanken, aangedrongen ons daar niet te tonen. We zouden moeten wennen aan de onafhankelijke Congo. Dit “wennen” zou een moeilijke klus worden.

In Kinshasa werd er duchtig gebakkeleid, en dat verwekte deining in de Maniema waar Lumumba voor de bevolking een halfgod was. We hebben het beleefd dat confraters voor het eerst werden geslagen en gearresteerd, maar het spel zat pas echt op de wagen bij de dood van Lumumba. Op 16/02/61 werd zijn dood via de radio bekend gemaakt.

Vroeg in de ochtend van die dag heeft de nieuwbakken gewestbeheerder - een gewezen schoolmeester die omwille van zijn fratsen aan de deur was gezet - post gevat in het portaal van de kerk en heeft alle vroege kerkgangers naar huis gejaagd met de woorden: “Aujourd’hui nous déclarons la guerre mondiale à la Belgique.”

Wij hielden ons hart vast. In die dagen waren eenheden van het Congolese leger op doortocht om de Katanga binnen te vallen die zich onafhankelijk had verklaard. In een mum van tijd hebben die soldaten in gevechtstenue alle paters, broeders en zusters naar buiten gedreven en ons als zakken rijst op twee camions geladen. Zijzelf hebben er boven op post gevat en met de kolven van hun geweren bewerkten ze ons. In de gevangenis, na ons beroofd te hebben van onze rozenkransen, brillen, uurwerken en schoenen hebben ze ons opgesloten.

Ik zat met twee gezellen met opgetrokken knieën en met blote voeten op de grond in een cel van 2 vierkante meter. Wij verwachtten ons aan het ergste. Dan kan je tot bidden komen en elkaar moed inspreken. Een van mijn gezellen, een broeder die les gaf in de normaalschool bekende: “Die Raphaël die de wereldoorlog verklaard heeft aan de Belgen, dus aan ons, is een oud-student van mij.” In uiterste nood bestaat het gevaar zich te focussen op één afvallige. Dat heeft Jezus niet gedaan. Hij heeft Judas zijn gang laten gaan. Wij hebben gebeden om in het spoor van Jezus te blijven en alle wrok uit ons hart te bannen. Wij hebben ongetwijfeld nog andere vrome dingen gezegd en gedaan, terwijl de klok, tergend langzaam, de uren van het tragisch etmaal wegtikte.

Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Onverwacht en onvoorzien is een hoge ambtenaar van de provincie ten tonele verschenen. Hij heeft de gemoederen bedaard en ons uit de kerker bevrijd. Was dat het “ happy end” van de gruwelfilm die in mijn geheugen werd afgedraaid in de nacht van 10 op 11 juli 1964? Schijnbaar wel, maar schijn bedriegt.

In die luttele dagen respijt, die ons werden toegemeten, hebben wij twee der onzen (p. Géry Ryckebusch en z. Madeleine Massart) die zwaar waren toegetakeld, naar Kindu kunnen evacueren, en de anderen hebben hun wonden gelikt totdat een nieuwe zwerm als aasgieren op ons is neergestreken.

Het waren gewoonterechterlijke strijders die, met veel misbaar en met boog en pijlen, dansend de missiepost naderden. Deze krijgers hadden aan hun strooptochten een politiek tintje gegeven door zich de naam toe te eigenen van “Balubakat” , een partij uit Noord-Katanga, die zich teweer stelde tegen de onafhankelijkheid van hun provincie. Ik had ze zien naderen, en lichtvoetig als ik toen was, ben ik naar het klooster van de Witte Zusters gerend. Het koste wat het wil: hen moesten wij beletten in de handen van dit gespuis te vallen. Maar hoe? Waar zouden de zusters veilig zijn? In het militaire kamp?

Een paar maanden voordien, op aantijgingen van plaatselijke politieke ijveraars, was ik een tiental dagen geïnterneerd geweest in het militaire kamp. Ik was er weer vrijgelaten, maar had moeten beloven voortaan in het kamp elke zondag de Mis op te dragen, want zo zeiden ze: “Wij zijn ook christenen”. Nu kregen ze de kans om dat te bewijzen. Dit hebben ze ook gedaan met groot lef. Onderdak, voedsel en drank werd ons verschaft en toen de balubakrijgers het kamp doorzochten naar de zusters, hebben ze hen in de munitiekamer achter gesloten deuren verborgen.

Ook hier in het kamp der soldaten heeft de klok tergend langzaam de uren weggetikt! Waar hadden die edelmoedige vrouwen, die wij soms het koosnaampje geven van “witte moeders van Afrika,” dit verdiend?

Het was al nacht toen wij onze schuilplaats verlieten. Paters en Broeders vonden wij terug in een hotellerie van de Staat, in gezelschap van Soumialot, diezelfde die ons uit de gevangenis had bevrijd. Hoe zagen ze er uit! Hun kloosterhabijt dat gisteren nog wit was, was besmeurd met kabbalistische tekens. Van sommigen had men de baard gevlochten en allen waren verweesd en afgemat.

Op de oevers van de Congostroom hadden de krijgers macabere spelletjes met hen gespeeld, regelmatig dreigend hen in de stroom te werpen. Veel werd daar niet gezegd, daar waren wij te beduusd voor en zij te uitgeput.

Soumialot, die net als de soldaten een panische schrik had van de magische krachten van de Balubakat , heeft dan beslist ons allemaal, onder escorte van het leger, naar Kindu te evacueren, waar wij bij de Uno-troepen in veiligheid zouden zijn. En zo geschiedde. Meer dan 40 buitenlandse missionarissen verlieten het bisdom Kasongo.

Van die uittocht is mij een beeld op het netvlies gebleven. Herman van der Ven, berooid, met een plastieken emmer in zijn hand waarin zijn kelk lag, zijn brevier, een werkgandoera en wat ondergoed. Hij was versuft en bijna radeloos, niet omdat hij zijn boeken en motorfiets achterliet, maar wel omdat hij zijn parochianen moest verlaten.

In de ochtend van 11 juli (de herdenking van de Guldensporenslag) heeft onze wijze voorman Embrechts beslist dat alle Witte Paters moesten vertrekken. De Broeders Van Daele, vier in getal, hebben zich bij ons aangesloten en namen hun inlandse novicen mee, een tiental. Dit werd dus de derde ontruiming.

Jef Martens heeft 10 maanden bezetting door de Mulelisten overleefd. In andere bisdommen zijn velen die niet wilden of niet konden ontsnappen vermoord geworden, samen met ontelbare christenen. In Kalemie en Ituri werden 12 confraters vermoord.

In het jaar 2000 heeft men mij gevierd als gouden jubilaris: 50 jaar priester. In de gelegenheidshomilie heb ik bekend dat Congo voor mij het land van mijn dromen is geweest maar ook van mijn nachtmerries. Vele malen heb ik mijn post verlaten, nu eens op bevel van mijn oversten, dan weer op eigen initiatief om het vege lijf te redden. Daar heb ik een wrang gevoel in het hart van overgehouden. Na de dankmis heeft een vriend mij ter zijde geroepen en gezegd: “Je hebt je niets te verwijten omdat je telkens bent teruggegaan naar dezelfde streek en naar dezelfde mensen.” “Ja, natuurlijk!” heb ik geantwoord, “omdat ik van dat land houd, en van zijn mensen, en van mijn opdracht.”


Het verhaal dat ik neerschreef had ik misschien moeten doorspekken met tekenen van heldhaftige trouw of ontroerende tederheid. Hier volgt er eentje, als de kers op de taart.

In februari 1961 was ik uit de gevangenis naar buiten gesukkeld op één blote voet en één sandaal; de tweede had ik niet teruggevonden. Anderhalf jaar later, bij mijn terugkeer in Kasongo heeft een parochiaan van mij de verdwaalde sandaal teruggebracht.

Zou je van zulke mensen niet houden? Zijn oudste zoon is priester geworden en in de jaren ’90 werd hij rector van het grootseminarie van Kasongo.

Edgard Declercq, M.Afr. (86)
„Kasteel”
de Manlaan 50
8490 Varsenare

Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 475 / 576058

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen Getuigenissen - Gebeurtenissen   ?    |    titre sites syndiques OPML   ?

Site gebouwd met SPIP 3.0.21 + AHUNTSIC

Creative Commons License